Blind investeren in handelsbot kost ondernemer aftrek

Blind investeren in handelsbot kost ondernemer aftrek

Een ondernemer investeert ruim € 60.000 in een handelsbot die maandelijks 10 tot 20% rendement zou opleveren. De bot blijkt niet te bestaan en de aanbieder wordt veroordeeld voor oplichting. De ondernemer wil zijn verlies aftrekken als ondernemingskosten, maar het hof oordeelt dat de investering geen bron van inkomen vormt. Een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt, omdat de ondernemer nooit inzicht kreeg in de werking van de bot.

Van evenementen naar crypto

De ondernemer drijft een eenmanszaak die cursussen en evenementen over coaching en persoonlijke ontwikkeling organiseert. Via zijn zakelijke netwerk leert hij iemand kennen die beweert een handelsbot te hebben ontwikkeld waarmee geautomatiseerd in cryptocurrency wordt gehandeld. De aanbieder presenteert zijn product op een van de evenementen van de ondernemer en maakt een professionele indruk. Hij toont schermafbeeldingen waaruit blijkt dat de bot stabiel rendeert. De ondernemer, die zelf een opleiding tot blockchain-professional heeft gevolgd, raakt geïnteresseerd. Hij begint met een investering van duizend euro en ziet via een app dat zijn inleg in zeven maanden verdrievoudigt. Hij besluit meer te investeren en maakt uiteindelijk ruim zestigduizend euro over.

Oplichting aan het licht

Als de ondernemer zijn geld wil opnemen, komt de aanbieder met smoesjes. De ondernemer doet aangifte van oplichting. Uit het strafrechtelijk onderzoek blijkt dat de handelsbot nooit heeft bestaan. De schermafbeeldingen waren gefingeerd. De aanbieder wordt veroordeeld voor oplichting van 65 slachtoffers. De ondernemer dient vervolgens een herziene aangifte inkomstenbelasting in, waarin hij het verlies als ondernemingskosten opvoert. De inspecteur weigert de aftrek.

Geen objectieve voordeelsverwachting

Voor het hof staat de vraag centraal of de investering in de handelsbot een bron van inkomen vormt. Dat vereist deelname aan het economisch verkeer, het subjectief beogen van voordeel en een objectieve voordeelsverwachting. De eerste twee voorwaarden zijn niet in geschil. De derde wel. De ondernemer betoogt dat hij redelijkerwijs voordeel mocht verwachten omdat de aanbieder overtuigend overkwam, resultaten toonde en 65 anderen eveneens heeft opgelicht. Het hof verwerpt dit betoog. Doorslaggevend is dat de ondernemer, ondanks herhaalde verzoeken, nooit inzicht heeft gekregen in de werking van de bot. De ongefundeerde beweringen van de aanbieder, hoe overtuigend die subjectief ook waren, maken niet dat naar objectieve maatstaven een geldelijk voordeel redelijkerwijs kon worden verwacht.

Geen verband met onderneming

De ondernemer stelt subsidiair dat het verlies verband houdt met zijn bestaande onderneming. Hij wilde via de investering kennis opdoen om cursussen over cryptohandel te kunnen ontwikkelen. Ook dit argument verwerpt het hof. De ondernemer heeft niet aannemelijk gemaakt dat de investering diende om cursussen te ontwikkelen. Evenmin heeft hij onderbouwd dat hij met ondernemingsvermogen heeft geïnvesteerd. Het verlies is niet aftrekbaar in box 1.

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:1598 | 12-05-2026
Ook na verliesverrekening kan de verdeling niet worden aangepast

Ook na verliesverrekening kan de verdeling niet worden aangepast

Een man en een vrouw zijn fiscale partners van elkaar. De inspecteur legt in 2016 aanslagen inkomstenbelasting op voor het jaar 2015. In 2018 lijdt de vrouw een ondernemingsverlies. Dit verlies wordt in 2020 achterwaarts verrekend met haar inkomen uit werk en woning van 2015, waardoor haar aanslag wordt verminderd. 

Verzoek om herverdeling

De heffingskorting, die voor de verliesverrekening wel kon worden benut, kan de vrouw nu niet meer ten volle benutten. Daarom verzoeken de man en vrouw na de verliesverrekening in juli 2020 gezamenlijk om herverdeling van de grondslag sparen en beleggen voor 2015. De inspecteur wijst dit verzoek af. Herverdeling is niet meer mogelijk, omdat de aanslagen 2015 op het moment van het verzoek al onherroepelijk vaststaan. De rechtbank bevestigt dit standpunt.

Toch herverdeling?

Het hof is het hier in eerste instantie mee eens en stelt dat de wet helder is. Echter, het hof overweegt vervolgens dat de wetgever niet heeft voorzien dat achterwaartse verliesverrekening kan leiden tot onbenutte heffingskortingen en dat herverdeling dit effect niet kan wegnemen als de aanslag van de partner onherroepelijk is. Het hof acht het niet aannemelijk dat de wetgever dit gevolg heeft willen aanvaarden en vermindert de aanslag van de man.

Hoge Raad bevestigt onherroepelijkheid

De staatssecretaris stelt beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het hof. De Hoge Raad oordeelt dat het middel van de staatssecretaris slaagt. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die leiden tot gevolgen die de wetgever niet heeft voorzien en niet wil aanvaarden. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:913 | 11-06-2026
Afschrijving maximaal 20%

Afschrijving maximaal 20%

Een ondernemer mag jaarlijks maximaal 20% van de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen afschrijven. Dit percentage geldt voor de kosten exclusief btw, tenzij de btw niet kan worden teruggevraagd. Deze regel zorgt er in de meeste gevallen voor dat de afschrijving over een langere periode wordt gespreid.

Afschrijving en autokosten

Een ondernemer schaft een laptop, tablet en accessoires aan voor € 2.934, exclusief btw (€ 3.551 inclusief). In zijn aangifte neemt hij € 3.551 aan afschrijvingskosten op. De inspecteur corrigeert dit bedrag in de definitieve aanslag. Na bezwaar staat de inspecteur € 711 (20% van € 3.551) aan afschrijvingskosten toe.

Maximale afschrijving

De ondernemer stelt dat hij recht heeft op een hogere afschrijving. De rechtbank overweegt echter dat de afschrijvingsbasis € 2.934 exclusief btw is, omdat de ondernemer de btw op de computerkosten heeft teruggevraagd. De maximale jaarlijkse afschrijving bedraagt daar 20% van, wat neerkomt op € 587. De inspecteur heeft in de bezwaarfase al € 711 aan afschrijvingskosten toegestaan, wat dus al hoger is dan het wettelijk toegestane bedrag.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:15431 | 28-05-2026
Geen box 3-vermindering voor niet-bezwaarmakers 2017-2020

Geen box 3-vermindering voor niet-bezwaarmakers 2017-2020

Een belastingaanslag waarbij voor de jaren 2017 tot en met 2020 te veel inkomstenbelasting in box 3 is geheven, hoeft niet te worden verminderd als die aanslag definitief is komen vast te staan vóór het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. Dat heeft de Hoge Raad beslist in twee zaken die als proefprocedures waren voorgelegd.

Kerstarrest

In het Kerstarrest is geoordeeld dat het box 3-stelsel vanaf 2017 een inbreuk vormt op het discriminatieverbod en het eigendomsrecht als het fictieve rendement hoger is dan het werkelijke rendement. Aanslagen moeten dan worden verminderd. De wettelijke regeling kent echter een uitzondering. Een vermindering vindt niet plaats als de onjuistheid van de aanslag voortvloeit uit rechtspraak die pas is gewezen nadat de aanslag definitief is geworden. De Hoge Raad heeft in 2022 al beslist dat het Kerstarrest 'nieuwe jurisprudentie' is.

Gelijke behandeling en evenredigheid

De Hoge Raad ziet geen reden terug te komen van zijn eerdere beslissing uit 2022. Personen die geen tijdig bezwaar hebben gemaakt, verkeren niet in dezelfde positie als wel-bezwaarmakers, waardoor van discriminatie geen sprake is. De uitzondering voor 'nieuwe jurisprudentie' is ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De doelen van rechtszekerheid en praktische overwegingen zijn legitiem en de nadelige gevolgen voor niet-bezwaarmakers zijn niet onevenredig. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden leiden, zijn niet gesteld. Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:1013 | 24-06-2026
Herverdeling inkomen leidt tot hogere belastingrente

Herverdeling inkomen leidt tot hogere belastingrente

Een echtpaar vraagt om herverdeling van de gezamenlijke inkomensbestanddelen over 2019. De inspecteur legt een navorderingsaanslag op aan de man en geeft een teruggaaf aan de vrouw. Bij de navorderingsaanslag brengt de inspecteur € 3.681 aan belastingrente in rekening, meer dan het echtpaar oorspronkelijk samen verschuldigd was. De man protesteert. Hij vindt het niet terecht dat de inspecteur bij een herverdeling meer belastingrente in rekening brengt.

Oorspronkelijk te weinig rente berekend

Hij wijst erop dat de totale belastingrente bij de oorspronkelijke aanslagen slechts € 2.675 bedroeg. Door de herverdeling stijgt zijn belastingrente dus fors. De inspecteur erkent echter dat hij bij de oorspronkelijke aanslagen een fout had gemaakt. Hij had de rente over een te korte periode berekend. Eigenlijk had de totale belastingrente € 6.889 moeten zijn. De man heeft dus juist voordeel gehad van de fout.

Beroep op EVRM en evenredigheid

De man stelt dat het percentage belastingrente in strijd is met hogere regelgeving. Hij beroept zich onder meer op het EVRM en het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026. Daarin oordeelde de Hoge Raad weliswaar dat de belastingrente voor de vennootschapsbelasting te hoog is, maar dat dit niet geldt voor de inkomstenbelasting. Het rentepercentage is niet disproportioneel. De prikkel om tijdig en juist aangifte te doen is immers een legitiem doel.

Wijziging door verzoek, niet door bezwaar

Subsidiair beroept de man zich op het verbod van reformatio in peius. De belastingrente mag door het bezwaar niet hoger worden dan bij de oorspronkelijke aanslagen. De rechtbank gaat hier niet in mee. De belastingrente is namelijk gewijzigd als gevolg van het verzoek om een andere verdeling, niet door het bezwaar. Dat de inspecteur bij de oorspronkelijke aanslagen te weinig rente in rekening had gebracht, doet daar niet aan af. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:3362 | 28-04-2026
Navordering na geautomatiseerde aanslag terecht

Navordering na geautomatiseerde aanslag terecht

Een vrouw woont in 2019 en 2020 in Italië en ontvangt in die jaren een Ziektewet-uitkering van het UWV. De vrouw doet aangifte voor beide jaren, waarin zij de uitkeringen als 'elders belast' op nihil stelt. De inspecteur legt de aanslagen geautomatiseerd op, conform de aangiften. Later maakt de vrouw bezwaar tegen de aanslag 2020, waarin zij stelt dat zij geen inkomen in Nederland ontvangt. De inspecteur kondigt vervolgens navorderingsaanslagen aan voor 2019 en 2020, omdat Nederland volgens hem wel heffingsrecht heeft over de ZW-uitkeringen. 

Grond voor navordering

De inspecteur stelt dat sprake is van een kenbare fout. De aangiften zijn geautomatiseerd afgedaan en niet handmatig beoordeeld. De rechtbank overweegt dat navordering mogelijk is als een aanslag te laag is vastgesteld door een fout van de vrouw, tenzij de inspecteur de fout welbewust heeft geaccepteerd. Dat laatste is niet het geval. De aanslagen zijn te laag vastgesteld door de geautomatiseerde aanslagregeling, niet door een onjuist inzicht van de inspecteur. Omdat het verschil tussen de aanslagen en de verschuldigde belasting meer dan 30% bedraagt, wordt aangenomen dat de fouten voor de vrouw redelijkerwijs kenbaar waren. De rechtbank oordeelt dat er een geldige navorderingsgrond is.

Verbod op verslechtering

De vrouw stelt dat zij door het instellen van bezwaar niet in een slechtere positie mag komen (het verbod van 'reformatio in peius'). De navorderingsaanslagen zijn immers opgelegd naar aanleiding van haar bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur dit verbod niet heeft geschonden. De wetgever heeft niet bedoeld dat het verbod ook geldt als er een zelfstandige grond voor navordering bestaat. Aangezien de inspecteur bevoegd was om navorderingsaanslagen op te leggen, levert het gebruikmaken van deze bevoegdheid geen strijd op met het verbod.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4358 | 18-05-2026