mei 28, 2026 | Inkomstenbelasting
Een man start in 2011 met de handel in auto's. Hij schrijft zich in bij de KVK en begint vol goede moed. De handel loopt echter niet goed naast zijn drukke baan in loondienst. Al vanaf het eerste jaar lijdt hij verlies. De omzet daalt van bijna € 98.000 in 2011 naar nihil in 2014. In 2016 en 2017 is er opnieuw geen omzet, maar wel kosten. Wanneer zijn vrouw ernstig ziek wordt, stopt de man definitief. Hij erkent achteraf dat de activiteiten voortkwamen uit een hobby en nooit echt goed van de grond zijn gekomen.
Geen onderzoek
De man dient eind 2017 zijn aangifte 2016 in, met een ondernemingsverlies van ruim € 4.500. De inspecteur legt de aanslag op conform de aangifte. Hij vergelijkt de aangifte niet met de aangiften van voorgaande jaren en doet geen nader onderzoek. Vier maanden later draait de Belastingdienst een landelijke query vanuit het project 'bronbeoordeling en starters'. De man komt in die query terecht. Nu pas besluit de inspecteur te onderzoeken of wel sprake is van een bron van inkomen.
Voordeelverwachting
Voor een bron van inkomen gelden drie vereisten: deelname aan het economisch verkeer, het oogmerk om voordeel te behalen en de objectieve verwachting dat voordeel redelijkerwijs kan worden behaald. Aan de eerste twee vereisten is voldaan. Maar het hof oordeelt dat een objectieve voordeelverwachting ontbreekt. Vanaf de start in 2011 zijn uitsluitend negatieve resultaten behaald bij een omzet die daalde tot nihil. De activiteiten vormen daarom geen bron van inkomen. De verliezen zijn niet aftrekbaar van het inkomen uit werk en woning.
Inspecteur had moeten twijfelen
Een inspecteur moet bij het opleggen van een aanslag de aangifte vergelijken met de gegevens in het dossier, waaronder de aangiften van voorgaande jaren. In die aangiften stond jaar na jaar verlies. De inspecteur had in redelijkheid moeten twijfelen aan de juistheid van het aangegeven ondernemingsverlies. Hij had vóór het opleggen van de aanslag 2016 nader onderzoek moeten doen. Door het nadere onderzoek na te laten begaat hij een ambtelijk verzuim. Dat sluit navordering uit.
Query bevestigt het verzuim
Het hof ziet een bevestiging in het feit dat de inspecteur naar aanleiding van de query wél tot onderzoek overging. Die query bevatte dezelfde informatie over de jarenlange verliezen als de aangiften. Zonder afdoende verklaring valt niet in te zien waarom de query wel aanleiding gaf tot onderzoek en de aangiften niet. De navorderingsaanslag 2016 wordt vernietigd. De aanslag 2017 blijft in stand, want die was nog niet definitief opgelegd toen de inspecteur het onderzoek startte.
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:2734 | 20-04-2026
mei 21, 2026 | Inkomstenbelasting
Twee broers drijven een koolverwerkingsbedrijf in maatschapsvorm. Op 30 maart 2020 voeren zij een omvangrijke herstructurering door. Ieder richt een persoonlijke holding op en brengt zijn maatschapsaandeel daarin in. De holdings richten vervolgens een gezamenlijke bv op waarin zij ieder 50% van de aandelen houden. De holdings brengen vervolgens hun maatschapsaandeel in die gezamenlijke bv in. Die bv richt op haar beurt een werk-bv op en brengt de onderneming daarin in. Het bedrijfspand met stille reserves blijft achter in de gezamenlijke bv. Dit alles gebeurt op dezelfde dag.
Geheel van rechtshandelingen
De inspecteur wijst het verzoek om geruisloze omzetting af. De inbreng maakt deel uit van een geheel van rechtshandelingen, gericht op overdracht van de onderneming. De geruisloze omzetting vereist dat de onderneming wordt voortgezet door de entiteit waarin wordt ingebracht. In dit geval is dat de persoonlijke holding, maar die zet de onderneming niet voort. De onderneming belandt uiteindelijk in de werk-bv.
Geen fiscale eenheid, geen bedrijfsfusie
Het Besluit geruisloze omzetting biedt een escape: de dooroverdracht staat niet in de weg aan de faciliteit als sprake is van een fiscale eenheid of een bedrijfsfusie. Bij een belang van 50% is een fiscale eenheid tussen de persoonlijke holding en de gezamenlijke bv echter niet mogelijk. De bedrijfsfusiefaciliteit biedt evenmin soelaas. Door de onmiddellijke doorinbreng bij de holdings is geen sprake van een uit organisatorisch oogpunt onafhankelijke exploitatie. Het achtergebleven bedrijfspand kwalificeert niet als tak van bedrijvigheid.
Fout van de adviseur
De broers doen een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Materieel gaat geen belastingclaim verloren. Bovendien heeft hun adviseur verzuimd tijdig een fiscale eenheid aan te vragen. Dat kan hen toch niet worden aangerekend? De rechtbank gaat hier niet in mee. De inspecteur heeft bij de toepassing van het Besluit geruisloze omzetting geen discretionaire bevoegdheid. Het Besluit biedt geen ruimte voor een belangenafweging. De inspecteur toetst alleen of aan de voorwaarden is voldaan. Dat is niet het geval. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. Dat de inspecteur de aanslag aan de gezamenlijke bv conform de aangifte heeft opgelegd, kan bij de broers geen vertrouwen wekken.
Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:2151 | 02-03-2026
mei 12, 2026 | Inkomstenbelasting
Tijdens een rechtszaak komt een man met de inspecteur overeen dat zijn werkelijk rendement in box 3 € 855 bedraagt. Enkele maanden later oordeelt de Hoge Raad dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden met kosten. De inspecteur wil het compromis vervolgens openbreken, maar het hof houdt hem aan de afspraak. Wie een compromis sluit, aanvaardt de kans dat latere jurisprudentie anders uitpakt.
Overeenstemming ter zitting
De aanslag IB/PVV 2018 vermeldt een box 3-inkomen van € 147.253. De inspecteur vermindert dat bedrag later naar € 63.621. De man is het daar niet mee eens en gaat in beroep. Tijdens de zitting bij de rechtbank bereiken zij overeenstemming. Zij stellen het werkelijk rendement vast op € 855. De rechtbank vermindert de aanslag dienovereenkomstig en veroordeelt de inspecteur tot betaling van wettelijke rente.
Inspecteur wil terugkomen op afspraak
De inspecteur gaat in hoger beroep. Hij stelt dat het overeengekomen bedrag van € 855 inclusief aftrek van bankkosten is berekend. Op 6 juni 2024 oordeelt de Hoge Raad echter dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden met kosten. Volgens de inspecteur moet het werkelijk rendement daarom € 1.738 bedragen in plaats van € 855.
Afspraak blijft gelden
Het hof houdt de inspecteur aan de afspraak. De man en de inspecteur wilden het geschil afronden en onzekerheid voorkomen. Daarmee hebben zij een bindende afspraak gesloten. De inspecteur heeft niet aangevoerd dat deze afspraak nietig of vernietigbaar is. Door akkoord te gaan, heeft hij ook het risico geaccepteerd dat latere rechtspraak anders zou uitpakken.
Geen rentevergoeding
Op één punt krijgt de inspecteur wel gelijk. De rechtbank had bepaald dat hij wettelijke rente moest betalen over de periode tussen betaling en teruggaaf. Het hof vernietigt dit deel van de uitspraak. Volgens de Hoge Raad biedt de vermindering van belasting al voldoende herstel, ook zonder rente. Alleen als de rente hoger is dan de vermindering, geldt een uitzondering. Daarvan is hier geen sprake.
Compromis is compromis
Deze uitspraak bevestigt dat een compromis bindend is, ook als latere rechtspraak een gunstigere uitkomst oplevert. Dat geldt voor beide partijen. Wie zekerheid koopt, aanvaardt de kans dat het achteraf anders had gekund.
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:805 | 24-03-2026
apr 30, 2026 | Inkomstenbelasting
Een vrouw moet haar huurtoeslag over 2021 terugbetalen, omdat haar box 3-vermogen te hoog is. Om haar vermogen te verlagen, probeert zij vooruitbetaalde zorgpremies als schuld op te voeren. Kan zij de vooruitbetaalde zorgpremie als aftrekbare schuld in box 3 meenemen?
Aangifte en huurtoeslag
Voor het jaar 2021 doet de vrouw aangifte met een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, gebaseerd op bezittingen van € 36.342 en geen aftrekbare schulden. De definitieve aanslag wordt conform deze aangifte opgelegd. Later ontvangt zij de definitieve berekening van haar huurtoeslag over 2021, die op € 0 wordt vastgesteld, omdat haar vermogen te hoog is. Voor alleenstaanden geldt in 2021 een vermogensgrens van € 31.340 voor de huurtoeslag.
Verzoek om schuldenaftrek
De vrouw dient een bezwaar in. Zij wil een DUO-schuld van € 4.671 en een creditcardschuld van € 1.952 in aanmerking nemen. Later voegt zij hieraan een schuld van € 1.805 toe voor de vooruitbetaalde zorgverzekeringspremies voor 2021. De vrouw heeft in 2020 toegezegd de premie voor 2021 ineens te betalen. De inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, behandelt het als verzoek om ambtshalve vermindering en neemt de DUO- en creditcardschuld mee (na toepassing van de schuldendrempel), maar de zorgpremies niet. De rendementsgrondslag wordt vastgesteld op € 32.909. Nog steeds boven de vermogensgrens voor de huurtoeslag.
Geen schuld
De rechtbank oordeelt dat voor een box 3-schuld is vereist dat deze op de peildatum (1 januari 2021) bestaat en een waarde in het economische verkeer heeft. Op 1 januari 2021 bestaat er, ondanks de toezegging, nog geen verplichting tot betaling van de zorgpremies. Bovendien vormt de zorgverzekering een samenhangend geheel van rechten en verplichtingen (premie versus dekking). Zolang het recht op dekking en de verplichting tot betaling beide bestaan, vertegenwoordigt dit per saldo geen waarde in het economische verkeer. De vooruitbetaalde zorgpremie is daarom geen aftrekbare schuld in box 3. De rechtbank ziet geen aanleiding om de wettelijke box 3-regels, inclusief de schuldendrempel, buiten beschouwing te laten vanwege de invloed op toeslagen.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:2033 | 22-03-2026
apr 16, 2026 | Inkomstenbelasting
Voor zover iemands inkomen uit werk en woning zonder de aftrekposten in de hoogste tariefschijf valt, geldt een lager tarief voor de aftrekposten. Dit wordt de tariefmaatregel genoemd. De inspecteur past bij het opleggen van de aanslagen de tariefmaatregel toe bij een man die in 2021 en 2022 alimentatie aan zijn ex-partner betaalt. Dit resulteert in een tariefsaanpassing van 6,5% (2021) en 9,5% (2022) in de hoogste schijf.
De man stelt dat de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen tegen het progressieve tarief aftrekbaar moeten zijn, zonder toepassing van de tariefmaatregel. De betalingen worden bij zijn ex immers ook progressief belast. De rechtbank oordeelt dat de tariefmaatregel rechtstreeks voortvloeit uit de wet. Afwijking is slechts bij hoge uitzondering mogelijk. De wetgever heeft de gevolgen van de tariefmaatregel, inclusief het verschil in tarief voor betaler en ontvanger van partneralimentatie, expliciet overwogen. Ook de stelling over discriminatie en eigendomsrecht wordt verworpen, omdat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en de gemaakte keuzes niet onredelijk zijn.
De man stelt tenslotte dat de regels niet tijdens een lopende alimentatieovereenkomst hadden mogen worden aangepast. Nog daargelaten of dit mogelijk is, is daar in deze situatie geen sprake van. De alimentatieovereenkomst is in 2021 gesloten, terwijl de tariefmaatregel al in 2020 werd ingevoerd. De rechtbank concludeert dat de tariefmaatregel terecht is toegepast.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:1910 | 15-03-2026
apr 9, 2026 | Inkomstenbelasting
Fiscale partners kunnen hun onderlinge verdeling van box 3 nog wijzigen na een collectieve uitspraak in een massaalbezwaarprocedure. De Hoge Raad oordeelt dat zij daarvoor zes weken de tijd hebben, gerekend vanaf de verminderingsbeschikking.
Box 3 en massaal bezwaar
Een man maakt bezwaar tegen zijn aanslag inkomstenbelasting 2017. Zijn bezwaar wordt aangemerkt als massaal bezwaar over de box 3 heffing. In februari 2022 volgt de collectieve uitspraak: het bezwaar is gegrond. In juli 2022 ontvangt de man een verminderingsbeschikking. Een dag later laten hij en zijn echtgenote de inspecteur weten dat zij de verdeling van hun box 3 vermogen willen wijzigen. Zij willen alles toerekenen aan de echtgenote.
Inspecteur weigert
De inspecteur weigert mee te werken. Volgens hem is de aanslag door de collectieve uitspraak onherroepelijk geworden. Daarna kan de verdeling niet meer worden gewijzigd. De rechtbank legt de kwestie voor aan de Hoge Raad.
Wanneer mag de verdeling nog worden aangepast?
Fiscale partners mogen hun onderlinge verdeling van bepaalde inkomensbestanddelen wijzigen, zolang de aanslagen van beiden nog niet onherroepelijk vaststaan. Als een aanslag onherroepelijk wordt door een arrest van de Hoge Raad, hebben partners nog zes weken om de verdeling aan te passen. Maar geldt dat ook bij een massaalbezwaarprocedure? Daarin wordt de aanslag onherroepelijk door een collectieve uitspraak, zonder dat de belastingplichtige daar zelf iets aan kan doen.
Wetgever heeft dit over het hoofd gezien
De Hoge Raad constateert dat de wetgever bij de invoering van de massaalbezwaarprocedure geen rekening heeft gehouden met de gevolgen voor de partnerverdeling. Een letterlijke uitleg van de wet zou betekenen dat partners na een collectieve uitspraak geen mogelijkheid meer hebben om hun verdeling te wijzigen. Dat acht de Hoge Raad onredelijk.
Pas na vermindering is er duidelijkheid
De Hoge Raad wijst erop dat partners pas een weloverwogen keuze kunnen maken als zij weten wat de cijfermatige gevolgen zijn. Bij een massaalbezwaarprocedure wordt dat vaak pas duidelijk na de verminderingsbeschikking, niet al na de collectieve uitspraak. Het zou onlogisch zijn partners die onder het massaal bezwaar vallen minder gelegenheid te geven dan partners die een individuele procedure hebben gevoerd.
Zes weken
De Hoge Raad oordeelt dat partners hun verdeling mogen wijzigen tot zes weken na de verminderingsbeschikking die de inspecteur afgeeft ter uitwerking van de collectieve uitspraak. Dat geldt als de inspecteur in de massaalbezwaarprocedure geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Een verzoek om ambtshalve vermindering biedt overigens geen extra mogelijkheid de verdeling alsnog te wijzigen.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:495 | 26-03-2026