jun 25, 2026 | Arbeidsrecht
De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief aangenomen. Dit wetsvoorstel wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek door het invoeren van een rechtsvermoeden van werknemerschap bij een laag uurtarief. Deze maatregel heeft als doel laagbetaalde zzp’ers, die vaak kwetsbare werkenden zijn, beter te beschermen tegen schijnzelfstandigheid.
Drempel en doel
Het rechtsvermoeden geldt voor zzp’ers die minder dan € 38 per uur (peildatum 1 januari 2026) verdienen. De introductie van dit vermoeden maakt het voor deze zzp’ers eenvoudiger om hun rechtspositie als werknemer op te eisen bij de werkgevende en, indien nodig, bij de rechter.
Gevolgen voor opdrachtgevers
Wanneer zzp’ers een beroep doen op dit rechtsvermoeden, moeten de opdrachtgevers aantonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Als opdrachtgevers dit niet kunnen bewijzen, is er sprake van schijnzelfstandigheid. In dat geval heeft de zzp’er recht op de bescherming die hoort bij iemand in loondienst, zoals recht op loondoorbetaling bij ziekte en ontslagbescherming.
Bron: Overig | wetsvoorstel | 36.783 | 15-06-2026
jun 18, 2026 | Arbeidsrecht
De beslissing van de werkgever om een werknemer met een nulurencontract niet meer op te roepen voor werkzaamheden moet worden aangemerkt als een onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst. De werknemer is sinds 1 oktober 2024 in dienst. Na augustus 2025 roept de werkgever hem niet meer op voor werkzaamheden. De werknemer spreekt zijn werkgever hierop aan en verzoekt betaling van achterstallig salaris, transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding. De werkgever weigert betaling en stelt dat de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd, maar dat zij slechts is gestopt met oproepen.
Onregelmatige opzegging
Het blijvend niet meer oproepen voor werkzaamheden door de werkgever komt neer op een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Omdat de werknemer niet heeft ingestemd en de opzegtermijn niet in acht is genomen, is sprake van een onregelmatige opzegging. Wanneer een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, wordt vermoed dat de bedongen arbeid in enige maand een omvang heeft die gelijk is aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden De werknemer heeft aannemelijk gemaakt dat hij structureel meer uren werkte dan de nul uren uit het contract. De werkgever heeft dit vermoeden niet weerlegd en heeft geen deugdelijke urenregistratie overgelegd. De kantonrechter gaat daarom uit van de gestelde en met werkbriefjes onderbouwde arbeidsomvang van 43,5 uur per week.
Loon en vergoedingen
De vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding worden toegewezen. Ook het achterstallig salaris over juli en augustus en het opgebouwde vakantiegeld, vermeerderd met de wettelijke verhoging, worden toegewezen. De wettelijke rente over deze bedragen wordt eveneens toegewezen. De loonvordering vanaf september 2025 tot 24 november 2025 wordt afgewezen. De werknemer heeft zich niet beschikbaar gehouden voor werkzaamheden na het starten van een nieuwe baan. De werkgever moet binnen één maand correcte bruto/netto-specificaties verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 50 per dag tot maximaal € 1.000.
Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:4327 | 23-04-2026
jun 4, 2026 | Arbeidsrecht
Vanaf 2027 krijgen werkgevers geen geld meer terug van de overheid voor de transitievergoeding die ze betalen bij ontslag als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Dit geldt ook voor de compensatieregeling bij bedrijfsbeëindiging vanwege pensionering of overlijden van de werkgever. Aanvankelijk werd voorgesteld de regeling te beperken tot kleine werkgevers. Het kabinet heeft nu voor een algehele afschaffing gekozen.
Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | wetswijziging | 2026Z11419 | 28-05-2026
mei 12, 2026 | Arbeidsrecht
De bedragen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag worden halfjaarlijks gewijzigd. Per 1 juli 2026 bedraagt het minimumuurloon voor iemand van 21 jaar of ouder € 14,99.
Minimumjeugdloon
Voor mensen die jonger zijn dan 21 jaar, gelden van het wettelijk minimumuurloon afgeleide bedragen.
| Leeftijd |
Staffeling |
Per uur |
|
21 jaar en ouder
|
100,0%
|
€ 14,40
|
|
20 jaar
|
80,0%
|
€ 11,52
|
|
19 jaar
|
60,0%
|
€ 8,64
|
|
18 jaar
|
50,0%
|
€ 7,20
|
|
17 jaar
|
39,5%
|
€ 5,69
|
|
16 jaar
|
34,5%
|
€ 4,97
|
|
15 jaar
|
30,0%
|
€ 4,32
|
Bbl
Voor werknemers, die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), gelden in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar afwijkende bedragen.
| Leeftijd |
Staffeling |
Per uur |
|
20 jaar
|
61,5%
|
€ 9,22
|
|
19 jaar
|
52,5%
|
€ 7,87
|
|
18 jaar
|
45,5%
|
€ 6,82
|
Referentiemaandloon
Het referentiemaandloon, dat wordt gebruikt voor het vaststellen van de hoogte en de indexatie van diverse uitkeringen, bedraagt per 1 juli 2026 bruto € 2.337,00 per maand.
Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | wetswijziging | 23-04-2026
apr 2, 2026 | Arbeidsrecht
Op 6 februari 2026 staakt een vrachtwagenchauffeur uit Tadzjikistan zijn rit langs de A1 bij Deurningen. Hij stopt met rijden en bezet de vrachtwagen van zijn werkgever, omdat hij wil dat zijn achterstallige loon wordt uitbetaald. De kantonrechter van de rechtbank Overijssel oordeelt dat de chauffeur dit terecht heeft gedaan.
Retentierecht
De chauffeur verblijft sinds hij zijn werk heeft neergelegd in de cabine van de vrachtwagen, die geparkeerd staat op een parkeerplaats langs de snelweg. Hij beroept zich op zijn retentierecht: de man bezet de vrachtwagen totdat zijn werkgever het achterstallige loon uitbetaalt. Het gaat in totaal om bijna € 18.000. Het vasthouden van de vrachtwagen is een drukmiddel om de werkgever de schuld te laten betalen. De werkgever, een transportbedrijf uit Litouwen, spant een kort geding aan. Ze eist dat de chauffeur de vrachtwagen onmiddellijk teruggeeft. De chauffeur eist op zijn beurt, nu ook via de rechter, dat de werkgever het achterstallige loon uitbetaalt.
Terecht
De rechtbank oordeelt dat de vrachtwagenchauffeur terecht een beroep heeft gedaan op zijn retentierecht. De chauffeur uit Tadzjikistan staat in zijn recht wanneer hij zijn achterstallige salaris opeist en de vrachtwagen van zijn werkgever als drukmiddel gebruikt. De kantonrechter veroordeelt het transportbedrijf tot het uitbetalen van de achterstallige betalingen.
Dagvergoedingen voor West-Europese ritten
Tijdens de zitting wordt duidelijk dat de werkgever beloofde om de chauffeur een gedeelte van zijn loon, de dagvergoedingen, uit te betalen op het moment dat hij weer terug in Litouwen zou zijn. Dit gebeurt niet, omdat het transportbedrijf telkens weer een nieuwe rit voor de chauffeur plant. Hij blijft dus maanden rondrijden in Nederland, Duitsland en België. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever hierin tekortgeschoten is. De chauffeur heeft namelijk geld nodig om onderweg, tijdens zijn ritten, in zijn levensonderhoud te voorzien. De werkgever had de man twee keer per maand volledig moeten uitbetalen, zoals dat in de arbeidsovereenkomst is afgesproken. Dit heeft de werkgever niet gedaan. Daarnaast heeft het transportbedrijf geen loonspecificaties aan de chauffeur gegeven.
Bron: Rechtbank Overijssel | jurisprudentie | ECLI:NL:RBOVE:2026:1334 | 12-03-2026
jan 29, 2026 | Arbeidsrecht
Het gerechtshof Amsterdam wijst de vorderingen van FNV dat alle chauffeurs of groepen van chauffeurs van Uber werknemer zijn af. Het hof oordeelt dat de zes chauffeurs die in hoger beroep aan de zijde van Uber mee procedeerden, zelfstandig ondernemer en geen werknemer zijn. Factoren die hierbij onder meer van belang zijn: de hoogte van de investeringen die de chauffeurs deden (zoals voor hun auto), de vrijheid in het kiezen van de tijdstippen waarop ze werken, de strategie bij het wel of niet accepteren van ritten en de daarbij behorende verdiensten, en het risico op aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid. Het hof overweegt verder dat het wel mogelijk is dat individuele chauffeurs van Uber werken op basis van een arbeidsovereenkomst. In deze procedure heeft het hof dat niet voor individuele chauffeurs of groepen van chauffeurs kunnen vaststellen.
De rechtbank besliste eerder dat alle Uber-chauffeurs werknemers zijn. Daarop ging Uber in hoger beroep. In het hoger beroep stelde het gerechtshof prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Die hadden betrekking op de betekenis van ondernemerschap bij de kwalificatie van een arbeidsrelatie en op de procedure om die kwalificatie voor een groep werkenden vast te stellen. De Hoge Raad antwoordde dat hij in zijn Deliveroo-arrest geen rangorde heeft willen aanbrengen in de daarin genoemde relevante omstandigheden, dat dat ook geldt voor ondernemerschap, en dat het zich kan voordoen dat de arbeidsrelatie van de ene werkende anders te kwalificeren valt dan ten aanzien van andere werkenden die dezelfde werkzaamheden verrichten. Volgens de Hoge Raad kan de rechter geen algemeen oordeel over de kwalificatie geven indien de individuele omstandigheden van de (groepen) werkenden daarvoor te veel uiteenlopen. Voor zover er wel een oordeel kan worden gegeven voor bepaalde (groepen) werkenden, kan de rechter dit in de beslissing van de uitspraak tot uitdrukking brengen.
Bron: Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2026:163 | 26-01-2026