apr 16, 2026 | Inkomstenbelasting
Voor zover iemands inkomen uit werk en woning zonder de aftrekposten in de hoogste tariefschijf valt, geldt een lager tarief voor de aftrekposten. Dit wordt de tariefmaatregel genoemd. De inspecteur past bij het opleggen van de aanslagen de tariefmaatregel toe bij een man die in 2021 en 2022 alimentatie aan zijn ex-partner betaalt. Dit resulteert in een tariefsaanpassing van 6,5% (2021) en 9,5% (2022) in de hoogste schijf.
De man stelt dat de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen tegen het progressieve tarief aftrekbaar moeten zijn, zonder toepassing van de tariefmaatregel. De betalingen worden bij zijn ex immers ook progressief belast. De rechtbank oordeelt dat de tariefmaatregel rechtstreeks voortvloeit uit de wet. Afwijking is slechts bij hoge uitzondering mogelijk. De wetgever heeft de gevolgen van de tariefmaatregel, inclusief het verschil in tarief voor betaler en ontvanger van partneralimentatie, expliciet overwogen. Ook de stelling over discriminatie en eigendomsrecht wordt verworpen, omdat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en de gemaakte keuzes niet onredelijk zijn.
De man stelt tenslotte dat de regels niet tijdens een lopende alimentatieovereenkomst hadden mogen worden aangepast. Nog daargelaten of dit mogelijk is, is daar in deze situatie geen sprake van. De alimentatieovereenkomst is in 2021 gesloten, terwijl de tariefmaatregel al in 2020 werd ingevoerd. De rechtbank concludeert dat de tariefmaatregel terecht is toegepast.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:1910 | 15-03-2026
apr 9, 2026 | Inkomstenbelasting
Fiscale partners kunnen hun onderlinge verdeling van box 3 nog wijzigen na een collectieve uitspraak in een massaalbezwaarprocedure. De Hoge Raad oordeelt dat zij daarvoor zes weken de tijd hebben, gerekend vanaf de verminderingsbeschikking.
Box 3 en massaal bezwaar
Een man maakt bezwaar tegen zijn aanslag inkomstenbelasting 2017. Zijn bezwaar wordt aangemerkt als massaal bezwaar over de box 3 heffing. In februari 2022 volgt de collectieve uitspraak: het bezwaar is gegrond. In juli 2022 ontvangt de man een verminderingsbeschikking. Een dag later laten hij en zijn echtgenote de inspecteur weten dat zij de verdeling van hun box 3 vermogen willen wijzigen. Zij willen alles toerekenen aan de echtgenote.
Inspecteur weigert
De inspecteur weigert mee te werken. Volgens hem is de aanslag door de collectieve uitspraak onherroepelijk geworden. Daarna kan de verdeling niet meer worden gewijzigd. De rechtbank legt de kwestie voor aan de Hoge Raad.
Wanneer mag de verdeling nog worden aangepast?
Fiscale partners mogen hun onderlinge verdeling van bepaalde inkomensbestanddelen wijzigen, zolang de aanslagen van beiden nog niet onherroepelijk vaststaan. Als een aanslag onherroepelijk wordt door een arrest van de Hoge Raad, hebben partners nog zes weken om de verdeling aan te passen. Maar geldt dat ook bij een massaalbezwaarprocedure? Daarin wordt de aanslag onherroepelijk door een collectieve uitspraak, zonder dat de belastingplichtige daar zelf iets aan kan doen.
Wetgever heeft dit over het hoofd gezien
De Hoge Raad constateert dat de wetgever bij de invoering van de massaalbezwaarprocedure geen rekening heeft gehouden met de gevolgen voor de partnerverdeling. Een letterlijke uitleg van de wet zou betekenen dat partners na een collectieve uitspraak geen mogelijkheid meer hebben om hun verdeling te wijzigen. Dat acht de Hoge Raad onredelijk.
Pas na vermindering is er duidelijkheid
De Hoge Raad wijst erop dat partners pas een weloverwogen keuze kunnen maken als zij weten wat de cijfermatige gevolgen zijn. Bij een massaalbezwaarprocedure wordt dat vaak pas duidelijk na de verminderingsbeschikking, niet al na de collectieve uitspraak. Het zou onlogisch zijn partners die onder het massaal bezwaar vallen minder gelegenheid te geven dan partners die een individuele procedure hebben gevoerd.
Zes weken
De Hoge Raad oordeelt dat partners hun verdeling mogen wijzigen tot zes weken na de verminderingsbeschikking die de inspecteur afgeeft ter uitwerking van de collectieve uitspraak. Dat geldt als de inspecteur in de massaalbezwaarprocedure geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Een verzoek om ambtshalve vermindering biedt overigens geen extra mogelijkheid de verdeling alsnog te wijzigen.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:495 | 26-03-2026
mrt 26, 2026 | Inkomstenbelasting
Een man ontvangt in 2018 een nabetaling van zijn pensioenfonds over een periode van meer dan 11 jaar. De inspecteur heeft deze nabetaling volledig gerekend tot het belastbaar inkomen in 2018. Als gevolg hiervan moet de man de toeslagen die hij in 2018 heeft ontvangen terugbetalen. Ook moet hij een bedrag terugbetalen aan het UWV. Gelet op de nadelige gevolgen van de toerekening van de nabetaling aan het jaar 2018, wil de man dat de nabetaling wordt verdeeld over de jaren 2007 tot en met 2018.
Vorderbaar en inbaar
Het hof oordeelt dat het niet mogelijk is om de nabetaling uit het inkomen van 2018 te halen en alsnog toe te rekenen aan de voorgaande jaren. Loon of periodieke uitkeringen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip dat deze zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking zijn gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en inbaar zijn geworden. De man heeft de pensioenuitkering pas in 2018 aangevraagd en ook pas in 2018 toegewezen gekregen. In de eerdere jaren bestond dus weliswaar een vorderbare uitkering, maar die was nog niet direct inbaar. De inspecteur heeft de nabetaling daarom terecht tot het belastbaar inkomen van 2018 gerekend.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:358 en ECLI:NL:GHDHA:2024:462 | 05-03-2026
mrt 26, 2026 | Inkomstenbelasting
Een man meldt zich bij de Belastingdienst met verzwegen Zwitserse bankrekeningen. Wat hij verzwijgt: hij heeft ook rekeningen in Luxemburg, op naam van plankvennootschappen. De inspecteur ontdekt dit alsnog en belast het vermogen in box 3. De rechtbank oordeelt echter dat sprake is van aanmerkelijk belang. Per saldo schiet de man daar niets mee op.
Nummerrekeningen en plankvennootschappen
Een man houdt jarenlang vermogen aan op buitenlandse bankrekeningen. Eerst in Zwitserland, later ook in Luxemburg. Als Luxemburg de nummerrekeningen afschaft, zet hij de rekeningen op naam van Britse plankvennootschappen. Dat zijn lege vennootschappen zonder activiteiten, die alleen dienden om de werkelijke eigenaar te verhullen. De man is enig aandeelhouder en bestuurder. Hij kan vrij over het geld beschikken. In 2014 sluit hij alle rekeningen en neemt hij bijna € 156.000 contant op. Als de Zwitserse bank hem waarschuwt dat zijn gegevens naar de Belastingdienst gaan, dient hij een inkeermelding in. Hij ‘vergeet’ echter de Luxemburgse rekeningen te melden.
Box 3 of box 2?
De inspecteur komt de Luxemburgse rekeningen op het spoor via transacties op de Zwitserse rekening. Hij belast het vermogen in box 3. De man maakt bezwaar, omdat hij niet meer over het geld zou beschikken. De rechtbank gelooft hem niet. Hij heeft geen bewijs van consumptie, terwijl hij jaarlijks duizenden euro’s contant op zijn Nederlandse rekening stort. Het bewijsvermoeden luidt daarom dat hij het geld nog steeds heeft.
Vervolgens doet de inspecteur iets opmerkelijks. Hij stelt dat hij het vermogen op de verkeerde plek heeft belast. De Luxemburgse rekeningen stonden op naam van vennootschappen waarvan de man enig aandeelhouder was. Dat betekent een aanmerkelijk belang. De bedragen die hij aan die vennootschappen onttrok, zijn belastbaar in box 2 en niet in box 3. De belasting in box 2 is hoger dan die in box 3. De inspecteur beroept zich op interne compensatie. De aanslag mag blijven staan, want onder de streep is die eerder te laag dan te hoog.
Inkeer mislukt
De man betoogt nog dat hij vrijwillig is ingekeerd en daarom geen boete verdient. De rechtbank verwerpt dit. Hij meldde zich pas nadat in de media bekend werd dat de Belastingdienst informatie bij Zwitserse banken opvroeg. Bovendien verzweeg hij bij de inkeermelding de Luxemburgse rekeningen. Dat is geen vrijwillige inkeer, maar damage control. De boetes blijven grotendeels in stand, zij het dat de rechtbank ze verlaagt voor zover ze op box 3 waren gebaseerd, terwijl box 2 van toepassing is.
Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:1736 | 28-01-2026
mrt 19, 2026 | Inkomstenbelasting
Een man verstrekt via een fonds een lening waarmee aandelen worden gekocht. Alle opbrengsten uit die aandelen komen aan hem toe. Op een deel van de vordering rust een optie. De man meent dat hij daardoor geen aanmerkelijk belang meer heeft. Het hof oordeelt anders: wie recht heeft op alle voordelen uit aandelen, is aandeelhouder voor de aanmerkelijkbelangregeling.
Lening met een gouden randje
Een man verstrekt in 2011 samen met anderen een lening van € 550.000 aan een fonds. Zijn aandeel is € 150.000. Het fonds koopt met dat geld aandelen in een veelbelovend bedrijf. Tot zover niets bijzonders. Maar let op de kleine lettertjes: alle opbrengsten uit die aandelen – dividend, verkoopwinst, noem maar op – komen volledig aan de geldverstrekkers toe. De ‘rente’ op de lening is dus geen rente, maar pure winstdeling. Wordt het bedrijf verkocht, dan verdwijnt de lening en casht de man mee. Een lening met een gouden randje, zou je kunnen zeggen.
De truc met de optie
Tegelijk met de lening verleent de man een call-optie aan een andere partij op 20% van zijn vordering. Zijn redenering is dat hij door de call-optie niet het volledige economische belang heeft. In 2014 verkoopt het fonds de helft van de aandelen en wordt de optie uitgeoefend. Zijn resterende belang is 5,3%. Als je 20% daarvan aftrekt voor de optie, kom je uit op 4,24%. En dat is net onder de magische 5%-grens voor een aanmerkelijk belang. Geen box 2, maar box 3. Scheelt een slok op een borrel: 25% versus een fractie daarvan.
Verder dan de verpakking
In 2018 worden de resterende aandelen verkocht. De man ontvangt ruim € 900.000 en geeft dit keurig aan in box 3. De inspecteur denkt daar anders over en belast het bedrag in box 2. De rechtbank geeft de man nog gelijk, maar het hof draait het om. De redenering is helder. Tot het moment dat de optie wordt uitgeoefend, komen alle voordelen uit de aandelen aan de man toe. Dat staat zwart op wit in de leningsovereenkomst. En wie recht heeft op alle voordelen, heeft een zogeheten genotsrecht. De wet is daar duidelijk over. Een genotsgerechtigde wordt gelijkgesteld met een aandeelhouder. Zijn belang is dus 5,3%. Ruim boven de ab-grens.
Creatief, maar niet creatief genoeg
De constructie was creatief, maar niet creatief genoeg. De Belastingdienst kijkt niet naar het etiket, maar naar de inhoud. Een lening die ruikt naar aandelen, smaakt naar aandelen en rendeert als aandelen, wordt behandeld als aandelen. De man moet box 2-belasting betalen over ruim € 830.000.
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:142 | 20-01-2026
mrt 19, 2026 | Inkomstenbelasting
Een man koopt een boerderij met agrarische bestemming. Hij regelt een bestemmingswijziging en splitst het perceel in tweeën. De ene helft verkoopt hij met winst, de andere houdt hij. De inspecteur belast de waardestijging als resultaat uit overige werkzaamheden. Het hof is het daarmee eens. Wie actief aan de slag gaat met bestemmingsplannen, doet meer dan normaal vermogensbeheer.
Van bijstandsuitkering naar vastgoedproject
Een man met een bijstandsuitkering ziet in 2017 een boerderij te koop staan die al jaren geen koper vindt. De boerderij heeft een agrarische bestemming, waardoor deze alleen geschikt is voor een boer met een bedrijf. De man ruikt een kans. Hij belt de gemeente en hoort dat de gemeente wil meewerken aan een bestemmingswijziging. Sterker nog, via de ruimte-voor-ruimteregeling mag hij de oude kassen slopen in ruil voor een extra bouwkavel. De man schakelt een juridisch planbureau in, laat onderzoeken uitvoeren en koopt de boerderij, onder de ontbindende voorwaarde dat de bestemmingswijziging slaagt, voor € 510.000.
Splitsen en verkopen
In juni 2018 is het zover. De gemeente keurt het nieuwe bestemmingsplan goed. De boerderij is nu gesplitst in twee percelen met elk een woonbestemming. De bouwkavel zet de man direct te koop voor € 550.000. Meer dan de aankoopprijs van het geheel. Er meldt zich geen koper voor de kavel, maar wel voor de boerderij zelf. Die verkoopt de man voor € 550.000. De kavel houdt hij voorlopig zelf, met plannen om er ooit te bouwen. Eén probleem: hij heeft geen geld. De levering wordt een ABC-transactie, waarbij de verkoopopbrengst van de boerderij rechtstreeks de aankoop financiert.
Geen normaal vermogensbeheer
De inspecteur ziet het anders. De waardestijging is het directe gevolg van de werkzaamheden van de man. Dat is geen normaal vermogensbeheer, maar een belastbare werkzaamheid. Het hof is het daarmee eens. Wie een bestemmingswijziging initieert, onderzoeken laat uitvoeren en de voortgang coördineert, doet méér dan een passieve belegger. Dat de man het werk uitbesteedde, maakt niet uit. De werkzaamheden van derden worden aan hem toegerekend. Op het moment dat de man besluit de kavel te houden, staakt hij de werkzaamheid en moet hij afrekenen over de waardestijging.
Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:210 | 02-02-2026