apr 30, 2026 | Vennootschapsbelasting
Een bv heeft over de jaren 2019 tot en met 2021 geen aangiften vpb gedaan. De bv stelt dat dit komt doordat aangifte alleen mogelijk is met eHerkenning. De hiervoor verschuldigde kosten kan zij niet betalen. De inspecteur legt hierop ambtshalve nihilaanslagen vpb op voor deze jaren en een verzuimboete van € 2.757 voor het jaar 2021.
Kosten eHerkenning niet onevenredig
Kosten van eHerkenning zijn niet van een zodanige omvang dat zij onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de staatssecretaris van Financiën met de invoering van eHerkenning nastreeft. Zolang de bv bestaat moet zij jaarlijks, met gebruik van eHerkenning, aangifte vpb doen. De bv heeft bovendien niets aangevoerd over geleden verliezen in de betreffende jaren. De beroepen tegen de nihilaanslagen zijn daarom ongegrond.
Verzuimboete verminderd
De bv erkent dat zij de aangiften vpb over de jaren 2019 tot en met 2021 niet (tijdig) heeft gedaan. Het opleggen van een verzuimboete voor het jaar 2021 is dan ook terecht gebeurd. De rechtbank vermindert de verzuimboete wel in verband met de financiële omstandigheden van de bv. De boete wordt daarom eerst verminderd tot € 500.
Overschrijding redelijke termijn
De boete wordt verder verminderd in verband met 'undue delay', oftewel de overschrijding van de redelijke termijn. Sinds de aankondiging van de boete zijn ruim 42 maanden verstreken. De redelijke termijn van twee jaar is daarmee met 18 maanden overschreden. De boete wordt gematigd met 15% tot € 425.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:2478 | 01-04-2026
apr 30, 2026 | Successiewet
Een zoon woont jarenlang samen met zijn moeder en verleent haar mantelzorg. De vader is in 1995 overleden. In zijn testament heeft hij zijn echtgenote tot enig erfgenaam benoemd. De twee zonen doen echter een beroep op hun legitieme portie, die samen 4/9e deel van vaders nalatenschap bedraagt. Tot die nalatenschap behoort onder meer vaders aandeel in de echtelijke woning. De woning blijft ook na zijn overlijden op zijn naam staan. In 2019 overlijdt moeder.
Goederenrechtelijke aanspraak, geen vordering
De Hoge Raad oordeelt dat een beroep op de legitieme portie onder het oude erfrecht leidt tot een goederenrechtelijke aanspraak op de goederen van de nalatenschap. Dat erfrecht gold tot 1 januari 2003. Door het inroepen van hun legitieme portie zijn de zonen deelgenoten geworden in vaders nalatenschap. Zij hebben daarmee geen vordering op moeder gekregen. Een dergelijke vordering had wel kunnen ontstaan bij een latere verdeling, maar die verdeling heeft nooit plaatsgevonden. Zonder vordering is er dan ook geen rente te berekenen.
Aanspraak niet uitgewerkt
Het hof oordeelt dat de goederenrechtelijke aanspraak van de zonen ten tijde van moeders overlijden is uitgewerkt op grond van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. De Hoge Raad corrigeert dit. Die wet vereist slechts dat de legitimaris binnen de gestelde termijn verklaart dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Hij hoeft binnen die termijn niet ook daadwerkelijk verdeling te vorderen. De aanspraak van de zonen is dus niet uitgewerkt. Bij de vaststelling van moeders nalatenschap moet dan ook rekening worden gehouden met die aanspraak, door 4/9e van vaders deel van de woning in mindering te brengen.
Geen partnervrijstelling voor kind
De zoon beroept zich ook op de partnervrijstelling. Hij heeft jarenlang samengewoond met zijn moeder en haar mantelzorg verleend. Onder de destijds geldende wet bestaat weliswaar een verzachting voor mantelzorgers, maar die geldt niet voor bloedverwanten in de rechte lijn. De zoon heeft geen recht op de partnervrijstelling.
Oud erfrecht werkt nog door
Dit arrest is relevant voor nalatenschappen die vóór 2003 zijn opengevallen en nog niet volledig zijn afgewikkeld. Onder het oude erfrecht geeft een beroep op de legitieme portie een goederenrechtelijke aanspraak, geen vordering. Die aanspraak kan nog steeds geldend worden gemaakt, ook nu het nieuwe erfrecht al meer dan twintig jaar van kracht is.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:669 | 16-04-2026
apr 30, 2026 | Ondernemingswinst
Een krantenbezorger rijdt jaarlijks ruim 20.000 kilometer met zijn eigen auto, zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. In zijn aangifte brengt hij 40 cent per kilometer in aftrek. De inspecteur staat slechts 19 cent toe. De bezorger distribueert kranten naar depots en bezorgt kranten aan huis. In 2018 rijdt hij hiervoor 20.916 kilometer met zijn privéauto. Hij ontvangt geen kilometervergoeding. In zijn aangifte brengt hij € 8.367 aan autokosten in aftrek, gebaseerd op 40 cent per kilometer volgens de ANWB-tool. Dat bedrag is volgens hem eigenlijk nog te laag, omdat krantenbezorging door het vele starten en stoppen tot extra slijtage leidt.
Wet maximeert aftrek
De bezorger beroept zich op het Convenant Uitgeefsector, waarin staat dat de werkelijk gemaakte kosten in aanmerking moeten worden genomen. Het hof gaat hier niet in mee. Die bepaling geldt voor opdrachtgevers, niet voor opdrachtnemers. Voor de inkomstenbelasting maximeert de wet de aftrek, voor een tot het privévermogen behorend vervoermiddel, op 19 cent per kilometer. Het doet er niet toe dat de werkelijke kosten hoger zijn. De aftrek blijft beperkt tot € 3.974.
Expliciet voorbehoud voorkomt vertrouwen
De bezorger beroept zich ook op het vertrouwensbeginsel. De inspecteur heeft in een eerdere procedure over 2017 zijn aangifte gevolgd. Het hof gaat hier evenmin in mee. De inspecteur heeft destijds expliciet verklaard: ‘Voor dit jaar wil ik de kosten accepteren. Omdat het doorspeelt naar volgende jaren, kunnen er geen rechten aan deze toezegging worden ontleend’. Aan die uitlating kan de bezorger geen vertrouwen ontlenen voor latere jaren.
Twee lessen
Deze uitspraak illustreert twee punten. Ten eerste past de rechter de wettelijke maximering van de kilometervergoeding strikt toe, ongeacht de werkelijke kosten. Ten tweede voorkomt een expliciet voorbehoud bij een toezegging dat de belastingplichtige daaraan vertrouwen kan ontlenen voor latere jaren.
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:879 | 31-03-2026
apr 30, 2026 | Sociale verzekeringen
Een vrouw ontvangt een AOW-uitkering van slechts € 328 per jaar. Daarnaast ontvangt zij ruim € 26.000 aan Duits pensioen. Door die minimale AOW is zij in Nederland verzekerd voor de Zorgverzekeringswet (Zvw). De Zvw-heffing wordt berekend over haar volledige inkomen, inclusief het Duitse pensioen. Zij vraagt de SVB om de AOW met terugwerkende kracht stop te zetten, maar dient haar bezwaar te laat in. De belastingrechter kan haar niet helpen.
Geen ontheffing Zvw
De vrouw woont in Nederland en ontvangt pensioen uit Duitsland. In 2007 verleent de SVB haar ontheffing van de verplichte verzekering voor de AOW, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet. Die ontheffing geldt echter niet voor de AWBZ en evenmin voor de Zvw. Zij ontvangt een kleine AOW-uitkering van € 328 per jaar. Die uitkering maakt haar verzekeringsplichtig voor de Zvw. De inspecteur legt een aanslag Zvw op over een bijdrage-inkomen van € 26.258, het totaal van haar Duitse pensioenuitkeringen.
Bezwaar bij SVB te laat
De vrouw vraagt de SVB om de AOW-uitkering te beëindigen. De SVB stopt de uitkering per 1 december 2023, maar weigert terugwerkende kracht tot 2019. De vrouw maakt bezwaar tegen die weigering, maar dient het bezwaar te laat in. De rechtbank verklaart haar beroep ongegrond. Vervolgens wendt zij zich tot de belastingrechter met het verzoek om de SVB op te dragen de uitkering alsnog met terugwerkende kracht stop te zetten.
Inspecteur gaf tijdig advies
De vrouw stelt ook dat de inspecteur haar had moeten wijzen op de mogelijkheid om bij de SVB ontheffing te vragen. Het hof verwerpt dit. De inspecteur heeft haar gemachtigde al op 23 oktober 2023 per e-mail geadviseerd om de SVB te vragen de verzekeringsplicht stop te zetten en te vragen of de ontvangen AOW-uitkering terugbetaald kan worden. Dat was ruim vóór de aanslag van 28 november 2023. Van een tekortkoming in de voorlichtende taak is dan ook geen sprake.
Belastingrechter niet bevoegd
Het hof oordeelt dat de aanslag Zvw rechtmatig is. De vrouw is verzekerd, dus is zij de bijdrage verschuldigd. Het hof is als belastingrechter niet bevoegd om de SVB op te dragen de verzekeringsplicht met terugwerkende kracht stop te zetten. Tegen beslissingen van de SVB staan rechtsmiddelen open bij de algemene bestuursrechter. De vrouw heeft die route bewandeld, maar haar bezwaar was te laat.
Termijnen zijn streng
Deze uitspraak illustreert hoe een kleine AOW-uitkering grote fiscale gevolgen kan hebben. Door de verzekeringsplicht die voortvloeit uit die uitkering wordt het volledige buitenlandse pensioen in de Zvw-heffing betrokken. Wie dat wil voorkomen, moet tijdig actie ondernemen bij de SVB. Een te laat ingediend bezwaar sluit de deur naar een inhoudelijke beoordeling.
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:740 | 17-03-2026
apr 30, 2026 | Inkomstenbelasting
Een vrouw moet haar huurtoeslag over 2021 terugbetalen, omdat haar box 3-vermogen te hoog is. Om haar vermogen te verlagen, probeert zij vooruitbetaalde zorgpremies als schuld op te voeren. Kan zij de vooruitbetaalde zorgpremie als aftrekbare schuld in box 3 meenemen?
Aangifte en huurtoeslag
Voor het jaar 2021 doet de vrouw aangifte met een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, gebaseerd op bezittingen van € 36.342 en geen aftrekbare schulden. De definitieve aanslag wordt conform deze aangifte opgelegd. Later ontvangt zij de definitieve berekening van haar huurtoeslag over 2021, die op € 0 wordt vastgesteld, omdat haar vermogen te hoog is. Voor alleenstaanden geldt in 2021 een vermogensgrens van € 31.340 voor de huurtoeslag.
Verzoek om schuldenaftrek
De vrouw dient een bezwaar in. Zij wil een DUO-schuld van € 4.671 en een creditcardschuld van € 1.952 in aanmerking nemen. Later voegt zij hieraan een schuld van € 1.805 toe voor de vooruitbetaalde zorgverzekeringspremies voor 2021. De vrouw heeft in 2020 toegezegd de premie voor 2021 ineens te betalen. De inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, behandelt het als verzoek om ambtshalve vermindering en neemt de DUO- en creditcardschuld mee (na toepassing van de schuldendrempel), maar de zorgpremies niet. De rendementsgrondslag wordt vastgesteld op € 32.909. Nog steeds boven de vermogensgrens voor de huurtoeslag.
Geen schuld
De rechtbank oordeelt dat voor een box 3-schuld is vereist dat deze op de peildatum (1 januari 2021) bestaat en een waarde in het economische verkeer heeft. Op 1 januari 2021 bestaat er, ondanks de toezegging, nog geen verplichting tot betaling van de zorgpremies. Bovendien vormt de zorgverzekering een samenhangend geheel van rechten en verplichtingen (premie versus dekking). Zolang het recht op dekking en de verplichting tot betaling beide bestaan, vertegenwoordigt dit per saldo geen waarde in het economische verkeer. De vooruitbetaalde zorgpremie is daarom geen aftrekbare schuld in box 3. De rechtbank ziet geen aanleiding om de wettelijke box 3-regels, inclusief de schuldendrempel, buiten beschouwing te laten vanwege de invloed op toeslagen.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:2033 | 22-03-2026