mei 28, 2026 | Ondernemingswinst
Een yogalerares schrijft zich in februari 2020 in bij de KVK. In haar aangifte vermeldt zij een verlies uit onderneming. Dit bedrag is opgebouwd uit een omzet van € 203, verminderd met zelfstandigenaftrek en startersaftrek en verhoogd met de MKB-winstvrijstelling. Zij vermeldt geen kosten of bedrijfsmiddelen op de balans.
Correctie door de inspecteur
De inspecteur merkt de omzet van € 203 aan als resultaat uit overige werkzaamheden en past de ondernemersfaciliteiten niet toe. De vrouw maakt bezwaar, maar dit wordt ongegrond verklaard. Ook de rechtbank verklaart haar beroep ongegrond.
Winst uit onderneming
Een onderneming vereist een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal die deelneemt aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk om voordeel te behalen. Cruciaal is dat dit voordeel ook redelijkerwijs te verwachten moet zijn. Bij de beoordeling hiervan wordt onder meer gekeken naar de duurzaamheid en omvang van de werkzaamheden, de beschikbare tijd, ondernemersrisico, de omvang van inkomsten en investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.
Geen objectieve winstverwachting
De lerares maakt niet aannemelijk dat zij een onderneming drijft. De omzet (van € 203) is marginaal en er zijn geen kosten of investeringen vermeld. Haar urenoverzichten bestaan uit ronde getallen en veel activiteiten zijn als vrijwilligerswerk omschreven. Er is geen kenbaar bedrijfsplan of realistisch doel. Ook uit de aangiften van latere jaren blijkt geen redelijke winstverwachting. Daarom komt de vrouw niet in aanmerking voor de ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek.
Urencriterium
De vrouw stelt dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel schendt, onder meer door haar niet te wijzen op het versoepelde urencriterium en door de uitspraak op bezwaar te snel te doen. De inspecteur heeft echter niet onzorgvuldig gehandeld. Het urencriterium is niet relevant als er geen sprake is van een onderneming. Bovendien heeft de vrouw voldoende tijd gehad om aanvullende informatie te verstrekken, maar heeft zij dit niet gedaan.
Bron: Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2026:1134 | 13-04-2026
apr 30, 2026 | Ondernemingswinst
Een krantenbezorger rijdt jaarlijks ruim 20.000 kilometer met zijn eigen auto, zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. In zijn aangifte brengt hij 40 cent per kilometer in aftrek. De inspecteur staat slechts 19 cent toe. De bezorger distribueert kranten naar depots en bezorgt kranten aan huis. In 2018 rijdt hij hiervoor 20.916 kilometer met zijn privéauto. Hij ontvangt geen kilometervergoeding. In zijn aangifte brengt hij € 8.367 aan autokosten in aftrek, gebaseerd op 40 cent per kilometer volgens de ANWB-tool. Dat bedrag is volgens hem eigenlijk nog te laag, omdat krantenbezorging door het vele starten en stoppen tot extra slijtage leidt.
Wet maximeert aftrek
De bezorger beroept zich op het Convenant Uitgeefsector, waarin staat dat de werkelijk gemaakte kosten in aanmerking moeten worden genomen. Het hof gaat hier niet in mee. Die bepaling geldt voor opdrachtgevers, niet voor opdrachtnemers. Voor de inkomstenbelasting maximeert de wet de aftrek, voor een tot het privévermogen behorend vervoermiddel, op 19 cent per kilometer. Het doet er niet toe dat de werkelijke kosten hoger zijn. De aftrek blijft beperkt tot € 3.974.
Expliciet voorbehoud voorkomt vertrouwen
De bezorger beroept zich ook op het vertrouwensbeginsel. De inspecteur heeft in een eerdere procedure over 2017 zijn aangifte gevolgd. Het hof gaat hier evenmin in mee. De inspecteur heeft destijds expliciet verklaard: ‘Voor dit jaar wil ik de kosten accepteren. Omdat het doorspeelt naar volgende jaren, kunnen er geen rechten aan deze toezegging worden ontleend’. Aan die uitlating kan de bezorger geen vertrouwen ontlenen voor latere jaren.
Twee lessen
Deze uitspraak illustreert twee punten. Ten eerste past de rechter de wettelijke maximering van de kilometervergoeding strikt toe, ongeacht de werkelijke kosten. Ten tweede voorkomt een expliciet voorbehoud bij een toezegging dat de belastingplichtige daaraan vertrouwen kan ontlenen voor latere jaren.
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:879 | 31-03-2026
apr 23, 2026 | Ondernemingswinst
Een consulente sluit in 2011 een overeenkomst met een relatiebureau voor bemiddelingsdiensten, waarvoor zij een provisie ontvangt. Zij geeft haar inkomsten, variërend van € 11.705 (2016) tot € 17.023 (2019), aan als winst uit onderneming. Na een boekenonderzoek concludeert de inspecteur dat de inkomsten als loon uit (fictieve) dienstbetrekking moeten worden gekwalificeerd.
Winst uit onderneming?
Het hof oordeelt dat de consulente onvoldoende zelfstandigheid en ondernemersrisico bezit. De consulente is verplicht de formulieren en betalingsafspraken van het bureau te gebruiken. Bij afwezigheid moet zij vervanging regelen via een andere consulent van het bureau. Verder is er geen bewijs van onderhandeling over de provisie. Bovendien heeft de consulente slechts één opdrachtgever, een overeenkomst voor onbepaalde tijd en geen aantoonbaar debiteuren- of investeringsrisico. Ook treedt zij niet naar buiten als ondernemer. De inkomsten kwalificeren daarom niet als winst uit onderneming.
Fictieve dienstbetrekking
Het hof concludeert dat er sprake is van een fictieve dienstbetrekking. De consulente verleent tegen beloning structureel bemiddeling om overeenkomsten tussen cliënten en het relatiebureau tot stand te brengen. De consulente werkt exclusief voor het bureau, wordt niet bijgestaan door anderen en haar inkomsten (provisie) zijn direct gekoppeld aan haar bemiddelingsactiviteiten. De navorderingsaanslagen zijn terecht.
Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:353 | 19-01-2026
apr 9, 2026 | Ondernemingswinst
Een dierenarts brengt zijn praktijk in een bv in en waardeert de goodwill op € 400.000. Kort daarvoor had een investeerder ruim € 3 miljoen geboden. De rechtbank oordeelt dat de dierenarts dat bod niet zomaar mocht negeren.
Investeerder klopt aan
Een dierenarts runt samen met zijn ouders een dierenartspraktijk. Begin 2020 meldt zich een grote internationale investeerder met interesse in overname. Na uitwisseling van cijfers volgt in augustus 2020 een bod van € 3,3 miljoen plus een bonus bij toekomstige groei. De familie tekent een intentieverklaring, maar haakt tijdens het boekenonderzoek af. Ze wil de praktijk toch niet uit handen geven.
Praktijk ondergebracht in bv
Vier maanden later brengt de familie de praktijk onder in bv's. Zij kiezen voor een zogeheten ruisende inbreng: de meerwaarde van de praktijk wordt direct belast, in ruil voor een hogere boekwaarde in de bv. De dierenarts waardeert zijn aandeel op basis van de zogenoemde multiple methode, een gangbare rekenmethode in de branche. Hierbij wordt het bedrag van de veronderstelde jaarwinst vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor. De totale goodwill komt uit op € 400.000. Daardoor blijft de af te rekenen winst in de aangifte beperkt.
Een jaar later alsnog verkocht
In de zomer van 2021 meldt de familie zich opnieuw bij dezelfde investeerder. Nu volgt een bod van € 5,3 miljoen. Na onderzoek wordt de praktijk verkocht voor € 4,7 miljoen plus groeibonussen.
De inspecteur vraagt zich af hoe de praktijk in december 2020 € 400.000 waard kon zijn, terwijl een serieuze koper kort daarvoor € 3,3 miljoen had geboden. Hij verhoogt de goodwill naar € 4,7 miljoen en legt een forse aanslag op.
Wat een koper biedt, is de maatstaf
De rechtbank legt uit wat 'waarde in het economisch verkeer' betekent: de prijs die de hoogstbiedende zou betalen. Uit het bod van augustus 2020 blijkt dat die waarde rond de € 3,3 miljoen lag. De door de dierenarts gehanteerde waarde van € 400.000 is niet verdedigbaar. Zijn rekenmethode hield geen rekening met de groeikansen die de investeerder zag. Het argument dat de familie helemaal niet van plan was te verkopen, doet niet ter zake. Bij inbreng in een bv gaat het om de objectieve waarde, niet om de plannen van de eigenaar. De rechtbank oordeelt dat de dierenarts bewust een te lage waarde heeft gehanteerd. Hij had moeten weten dat het negeren van een concreet bod zou leiden tot een veel te lage aangifte. De inspecteur gaat uit van de verkoopprijs van 2021, wat volgens de rechtbank ook niet reëel is. Tussen de inbreng en de verkoop is een concurrent in de buurt gestopt, waardoor de verwachting over de toekomstige omzet is gestegen. Die waardestijging bestond nog niet op de inbrengdatum. De rechtbank schat de waarde op € 4 miljoen: het midden tussen het bod van 2020 en de uiteindelijke verkoopprijs.
Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:5203 | 09-02-2026
apr 2, 2026 | Ondernemingswinst
Een man werkt als belastingadviseur en participeert daarnaast in de agrarische maatschap van zijn ouders. In 2015 koopt hij de ouderlijke woning voor € 315.000. Hij leent het volledige bedrag van zijn ouders. De afspraken: 9% rente per jaar, een looptijd van tien jaar, geen aflossing en geen hypotheek. De man activeert de woning op zijn ondernemingsbalans en trekt de rente af als bedrijfskosten. Na de aankoop blijft iedereen gewoon in de woning wonen: de man zelf, zijn ouders en zijn twee zussen.
9% niet zakelijk
De man betoogt dat een bank hem nooit zou hebben gefinancierd. Geen hypotheek, geen eigen geld, een bedrijfswoning in agrarisch gebied. Volgens hem was crowdfunding het enige alternatief en daar gelden rentepercentages tot 8%. Met een kleine opslag kom je dan op 9%. Het hof gaat hier niet in mee. De ouders hadden weliswaar geen hypotheek bedongen, maar zij hadden wel degelijk zekerheden. In de maatschapsakte is geregeld dat de man de woning niet zonder toestemming van zijn ouders mocht verkopen of bezwaren. Bovendien hadden de ouders een terugkooprecht bedongen. En dan was er nog de familiaire verhouding. Het is onwaarschijnlijk dat de man de ouderlijke woning zonder overleg zou vervreemden. De ouders liepen daardoor veel minder risico dan een willekeurige derde. Een rente van 4,5% is passend.
Waarde van de woning
In 2018 brengt de man zijn aandeel in de maatschap in een bv in. De woning houdt hij buiten de inbreng en brengt hij over naar privé. Hij claimt daarbij een fors boekverlies. De woning staat op de balans voor bijna € 370.000, maar volgens een taxateur is de waarde gedaald naar € 275.000. Bovendien past de man een korting toe van 35% wegens zelfbewoning. Onder de streep: een verlies van ruim € 190.000. De taxaties van de waarde van de woning lopen uiteen: € 275.000, € 300.000 en € 392.000. De inspecteur houdt de waarde van € 392.000 aan. Na correctie slaat het verlies om in winst. Het hof vindt geen van de taxaties overtuigend en stelt de waarde in goede justitie vast op € 350.000. Met de korting van 35% wegens zelfbewoning resteert nog steeds een boekverlies, maar veel kleiner: € 32.017 in plaats van € 190.000.
Boete vernietigd
De inspecteur had ook een vergrijpboete opgelegd. De man zou opzettelijk een onjuiste aangifte hebben gedaan. Het hof verwerpt dit. De inspecteur baseerde zijn redenering op de aanname dat zelfbewoning zowel bij aankoop als bij onttrekking de waarde drukt. Die aanname is onjuist. Bij aankoop geldt dat niet. Daarmee valt de grondslag voor de boete weg.
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:182 | 27-01-2026
apr 2, 2026 | Ondernemingswinst
Verliezen mogen pas worden genomen wanneer de feiten zich voordoen. Voorzichtigheid is mooi, maar de Belastingdienst rekent af op basis van wat je op de balansdatum weet. Niet op basis van wat je later blijkt te weten.
Wellnesscentrum gaat failliet
Een holding bezit via een dochtervennootschap een bedrijfspand waarin een wellnesscentrum wordt geëxploiteerd. Het pand staat op de balans voor bijna € 4 miljoen. In 2019 gaat het wellnesscentrum failliet, waarna de dochter het pand voor € 2,9 miljoen verkoopt. Vlak voor de levering in 2020 wordt de prijs verder verlaagd naar € 2,5 miljoen, aangezien de koper had ontdekt dat de ontwikkelingsmogelijkheden tegenvielen.
Kan het verlies naar voren worden gehaald?
De holding wil het verlies niet in 2020 nemen, maar in 2018. Toen was reeds duidelijk dat het slecht ging met het wellnesscentrum en dat het pand ver onder de boekwaarde zou worden verkocht. De inspecteur weigert dit. De dochter die het pand bezit, bestaat nog steeds. Er is geen reden om af te waarderen naar een soort opheffingswaarde. Het feit dat het faillissement van de huurder in zicht was, is onvoldoende.
Foutenleer biedt geen uitweg
De holding probeert het ook via een andere route. Zij stelt dat in eerdere jaren te weinig is afgeschreven en dat dit nu moet worden ingehaald. De rechtbank acht dit niet overtuigend en oordeelt dat de holding niet aannemelijk heeft gemaakt dat er fouten zijn gemaakt. Een wat voorzichtiger afschrijvingsbeleid is geen fout die later mag worden gecorrigeerd.
En 2019 dan?
Voor 2019 wil de holding afwaarderen naar € 2,5 miljoen: de prijs waarvoor het pand uiteindelijk is verkocht. De inspecteur accepteert alleen afwaardering naar € 2,9 miljoen: de prijs in het koopcontract van 2019. De reden hiervoor is dat de verdere prijsverlaging pas in 2020 kwam. De rechtbank volgt de inspecteur. Op 31 december 2019 bestond er nog geen reden om aan te nemen dat de prijs zou dalen. Die wetenschap kwam pas later.
Toch gedeeltelijk gelijk
Helemaal met lege handen staat de holding niet. De inspecteur bleek bij de aanslag 2019 te zijn uitgegaan van een te hoge boekwaarde. Na correctie resteert een verlies van ruim € 1 miljoen. De aanslag wordt verminderd tot nihil.
Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:2055 | 12-03-2026