Kwijtschelding rekening-courantschuld is verkapt dividend

Kwijtschelding rekening-courantschuld is verkapt dividend

Een man houdt alle aandelen in een holding die deelneemt in het familiebedrijf. De holding heeft een vordering op hem in rekening-courant. Deze vordering staat jarenlang op de balans en loopt gestaag op tot € 314.136 in 2016. Er vinden geen aflossingen of rentebetalingen plaats. De man geeft de schuld zelf aan in zijn aangiften inkomstenbelasting voor box 3. In 2015 treedt hij af als bestuurder. Een stichting neemt het bestuur over. In mei 2016 sluiten de man en de holding een vaststellingsovereenkomst waarin staat dat de rekening-courantschuld na onderzoek ‘ongegrond’ blijkt en wordt kwijtgescholden. Eind 2016 wordt de holding ontbonden.

Nooit bestaan?

De inspecteur merkt de kwijtschelding aan als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. De helft wordt bij de man belast, de andere helft bij zijn echtgenote. De man stelt dat de schuld nooit heeft bestaan. Zijn vader en broer deden de administratie van het familiebedrijf en de holding. Hij was daar zelf niet bij betrokken. De boekingen waren fout. Een accountant zou dat hebben vastgesteld in een rapport, maar de man kent de naam van die accountant niet en heeft het rapport nooit gezien.

Eigen verantwoordelijkheid

De rechtbank gaat niet mee in het verweer. De vordering stond jarenlang in de aangiften vennootschapsbelasting van de holding én in de eigen aangiften inkomstenbelasting van de man. Professionele adviseurs hebben die aangiften opgesteld zonder vraagtekens te plaatsen bij de vordering. De man heeft zelf de vaststellingsovereenkomst getekend waarin de schuld wordt kwijtgescholden. Als dga had hij een eigen verantwoordelijkheid voor de fiscale verplichtingen. Dat hij de administratie aan anderen overliet, komt voor zijn rekening en risico. De rechtbank acht bewezen dat de schuld heeft bestaan en dat de kwijtschelding een verkapte uitdeling is.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2025:22439 | 12-11-2025
Managementvergoeding en stamrecht zijn niet uitwisselbaar

Managementvergoeding en stamrecht zijn niet uitwisselbaar

Een dga ontvangt al jaren een managementvergoeding van zijn holding voor zijn werk als directeur. Daarnaast heeft hij recht op stamrechtuitkeringen van zijn pensioen-bv. De uitkeringen hadden uiterlijk in 2017 moeten ingaan, toen hij de AOW-leeftijd bereikte. Dat gebeurt echter niet. De man blijft fulltime werken als directeur en ontvangt een managementvergoeding van zijn holding.

Stamrecht te laat ingegaan

De inspecteur constateert dat het stamrecht te laat is ingegaan. Normaal gesproken leidt dat tot belastingheffing over de volledige waarde van de aanspraak in één keer, plus 20% revisierente. De inspecteur biedt echter een alternatief: herstel de situatie door alsnog stamrechtuitkeringen aan te geven vanaf 2018. De dga kiest voor het alternatief, maar wil de managementvergoeding met terugwerkende kracht verlagen. Zijn redenering: als hij alsnog stamrechtuitkeringen moet aangeven, mag hij zijn managementvergoeding navenant verlagen. Per saldo blijft zijn inkomen dan gelijk.

Twee vennootschappen, twee titels

De inspecteur weigert. De managementvergoeding is de betaling voor zijn werk als directeur en komt van de holding. De stamrechtuitkering is de betaling uit zijn oude ontslagvergoeding en komt van de pensioen-bv. Dit zijn twee verschillende vennootschappen met twee verschillende redenen om te betalen. Je kunt de ene niet wegstrepen tegen de andere.

Ontvangen blijft ontvangen

Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank. De dga heeft de managementvergoeding ontvangen en de holding heeft loonheffingen ingehouden en afgedragen. Daarmee is het loon genoten. Dat is een feit waaraan je achteraf niet kunt morrelen. De dga stelt dat sprake is van een fout die hersteld moet worden. Het hof ziet dat anders. Er is geen fout, maar een gewijzigd standpunt. Het achteraf verlagen van de vergoeding zou hooguit leiden tot negatief loon in het jaar van terugbetaling. Het doet niets af aan het feit dat de dga het loon in 2018 en 2019 al heeft genoten.

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:134 | 10-03-2026
Geen renteaftrek, ondanks snelle aflossing hypotheek

Geen renteaftrek, ondanks snelle aflossing hypotheek

Een man koopt in 2015, samen met zijn echtgenote, een woning. Zij sluiten hiervoor een hypotheek af bij een bank. Het betreft een annuïtaire lening met een looptijd van 30 jaar. In 2019 besluit de man een deel van de hypotheek af te lossen. Hij sluit hiervoor een nieuwe lening bij zijn eigen bv. Deze lening heeft een contractuele looptijd van 30 jaar. Aan het einde van dat jaar is de schuld bij de bank aanzienlijk verminderd. In 2020 zet hij het aflossen van de hypotheek door en sluit hij nog een lening af bij zijn bv. Ook deze lening heeft een looptijd van 30 jaar. Hierdoor daalt de schuld bij de bank verder. In januari 2022 lost hij de beide leningen bij zijn bv volledig af.

De inspecteur stelt vast dat de leningen bij de bv niet voldoen aan de voorwaarden van een eigenwoningschuld. Bij de leningen van de bv is geen rekening gehouden met de reeds verstreken looptijd van de oorspronkelijke lening. Daardoor overschrijden de looptijden de voor aftrek geldende wettelijke maximumtermijn van 360 maanden. Als gevolg hiervan mag de man de rente van beide leningen niet aftrekken. De man maakt bezwaar tegen de correcties. Hij wijst erop dat hij beide leningen in 2022, ruim vóór het verstrijken van de maximale termijn van 360 maanden, volledig heeft afgelost. Hij voert aan dat deze feitelijke aflossing ervoor zorgt dat de leningen niet daadwerkelijk de maximale looptijd overschrijden, wat volgens hem voldoende zou moeten zijn om ze als eigenwoningschuld te kwalificeren.

De rechter benadrukt dat de leningen, op basis van de afgesloten overeenkomsten, niet voldoen aan de aflossingseis en daarmee niet binnen het wettelijke kader passen. De contractuele verplichting is leidend bij de vraag of een lening als eigenwoningschuld kan worden aangemerkt. Het feit dat de man de leningen ruim binnen de 360 maanden volledig heeft afgelost, speelt geen rol in deze beoordeling. De wet kijkt alleen naar de contractueel afgesproken looptijd. Dat feitelijk eerder is afgelost, is hiervoor niet relevant.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:995 | 10-02-2026
Forfaitaire rendementen banktegoeden en schulden 2025

Forfaitaire rendementen banktegoeden en schulden 2025

De staatssecretaris van Financiën heeft de forfaitaire rendementspercentages in box 3 voor banktegoeden en schulden voor het jaar 2025 vastgesteld. Voor banktegoeden bedraagt het forfaitaire rendement 1,37%. Voor schulden is het forfaitaire rendement vastgesteld op 2,70%. Deze rendementen vervangen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025 de in de wet opgenomen rendementen van 1,44% en 2,61%.

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | stcrt-2026-3708 | 23-02-2026
Stilzitten bij lening aan dga is nog geen prijsgeven

Stilzitten bij lening aan dga is nog geen prijsgeven

Een bv heeft een forse vordering op haar dga. De bv onderneemt geen actie om de vordering te innen, terwijl duidelijk is dat de dga deze niet kan aflossen. De inspecteur stelt dat dit stilzitten neerkomt op het prijsgeven van de vorderingen en dus een winstuitdeling vormt. De dga betwist dit. Zonder formele kwijtschelding is geen sprake van prijsgeven.

Lening van bv

Een dga leent in de loop der jaren forse bedragen van zijn bv voor de aankoop van een woning in Nederland, een woning in Spanje en effecten. Daarnaast loopt een rekening-courantschuld op. Eind 2014 bedraagt de totale schuld ruim € 2,3 miljoen. De winstreserves van de bv bedragen circa € 2 miljoen. Uit correspondentie met de Belastingdienst blijkt dat de dga de schulden niet kan aflossen. De waarde van de effecten is gedaald, de Nederlandse woning is verkocht zonder dat de opbrengst werd gebruikt voor aflossing en de dga emigreert in 2014 naar Spanje. De inspecteur legt navorderingsaanslagen op over 2012 en 2014.

Stilzitten

De inspecteur stelt dat de bv haar rechten als schuldeiser heeft prijsgegeven door geen actie te ondernemen, terwijl een onafhankelijke derde dat wel zou doen. Dit onzakelijke stilzitten vormt volgens de inspecteur een winstuitdeling. De dga bepleit een formeel-juridische benadering: pas bij kwijtschelding of liquidatie is sprake van prijsgeven. Het enkele stilzitten is daarvoor onvoldoende. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslagen. De inspecteur gaat in hoger beroep.

Prijsgeven

Volgens een arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2023 kan een lening na verstrekking alsnog een onttrekking vormen als de bv haar rechten als schuldeiser prijsgeeft. Uit eerdere rechtspraak leidt het hof af dat het enkele stilzitten onvoldoende is voor prijsgeven. Pas wanneer de vordering in formeel-juridische zin tenietgaat, bijvoorbeeld door kwijtschelding of liquidatie, is sprake van prijsgeven. De bv heeft geen actieve handelingen verricht waaruit formeel prijsgeven blijkt. De totale schuld vormt daarom geen winstuitdeling. Wel oordeelt het hof dat de jaarlijkse toename van de rekening-courantschuld in 2012 en 2014 een winstuitdeling vormt. Op het moment van bijschrijving stond immers vast dat de dga die bedragen niet kon of zou aflossen.

Winstuitdeling

Het enkel niet innen van een vordering is nog geen prijsgeven. Daarvoor is een formele handeling nodig, zoals kwijtschelding. Nieuwe opnames in rekening-courant kunnen wel direct als uitdeling kwalificeren als op dat moment vaststaat dat de dga niet kan of zal aflossen. Dga’s met een oplopende schuld aan hun bv doen er verstandig aan de situatie tijdig te beoordelen.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2025:3620 | 16-12-2025
Geen giftenaftrek zonder Nederlandse anbi-registratie

Geen giftenaftrek zonder Nederlandse anbi-registratie

Een man doet giften aan instellingen in Duitsland en Zwitserland. Deze instellingen zijn in hun eigen land erkend als algemeen nut beogend, maar hebben geen Nederlandse anbi-status aangevraagd. De inspecteur weigert daarom de giftenaftrek. De man stelt dat de registratievoorwaarde in strijd is met het vrije kapitaalverkeer. Van buitenlandse instellingen kan volgens hem niet worden verlangd dat zij in Nederland een anbi-status aanvragen.

Registratievoorwaarde

De man beroept zich op het arrest Persche van het Hof van Justitie. Hij stelt dat de buitenlandse instellingen ook voldoen aan de Nederlandse materiële voorwaarden voor een anbi-status. Vanwege de bewerkelijkheid van het registratietraject kan van buitenlandse instellingen niet in redelijkheid worden verlangd dat zij in Nederland een aanvraag indienen. De registratievoorwaarde vormt daarom een belemmering van het vrije kapitaalverkeer.

Geen onderscheid

Het gerechtshof verwerpt dit betoog. De wet maakt geen onderscheid naar vestigingsplaats en de procedure is niet onredelijk bezwarend. De Hoge Raad oordeelt dat de registratievoorwaarde juridisch geen onderscheid maakt naar vestigingsplaats. Zowel in Nederland als in andere lidstaten gevestigde instellingen kunnen verzoeken om als anbi te worden aangemerkt. Ook van een indirect onderscheid is geen sprake. De voorwaarde treft naar haar aard buitenlandse instellingen niet meer dan binnenlandse instellingen. Dat de aanvraagprocedure bewerkelijk is, geldt evenzeer voor Nederlandse instellingen. Van de gestelde voorwaarden kan niet worden gezegd dat buitenlandse instellingen daarvan in feite worden uitgesloten doordat het voor hen onmogelijk of uiterst moeilijk zou zijn eraan te voldoen. De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:136 | 29-01-2026