mrt 13, 2025 | Omzetbelasting
Een internetveiling en de inspecteur worden het niet eens over de verschuldigdheid van omzetbelasting bij niet-verzilverde bonnen, ook wel no shows genoemd, die via de veiling zijn ‘gewonnen’. De veiling stelt dat er geen belastbare prestatie is verricht, omdat de bonnen niet zijn verzilverd. Uiteindelijk moet de rechter eraan te pas komen om het geschil te beslechten.
Het hof oordeelt dat de vennootschap gebonden is aan de vaststellingsovereenkomsten die zij met de Belastingdienst heeft gesloten. Deze overeenkomsten bepalen dat niet-verzilverde bonnen als een btw-prestatie moeten worden beschouwd. Het hof stelt dat de vennootschap daarom omzetbelasting verschuldigd is op het moment dat de bon aan de winnaar van de veiling wordt verstrekt, ongeacht of deze bon uiteindelijk wordt verzilverd.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de vennootschap de omzetbelasting verschuldigd is op het moment van vooruitbetaling door de winnaar. Op dat moment is een voldoende nauwkeurig omschreven prestatie overeengekomen. De Hoge Raad oordeelt dat de veiling de bonnen verstrekt met het oog op de boeking of bestelling van de prestatie, en dat de winnaar recht heeft op uitvoering van de prestatie, ongeacht of hij dit recht daadwerkelijk uitoefent. Hierdoor blijft de ontvangen vergoeding belastbaar met omzetbelasting.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat de inspecteur het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting terecht heeft afgewezen.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2025:335 | 27-02-2025
feb 27, 2025 | Omzetbelasting
Een kleine ondernemer doet geen aangifte btw. De inspecteur legt daarom een naheffingsaanslag omzetbelasting op. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag legt de inspecteur een boete op wegens het niet betalen en een boete wegens het niet doen van aangifte. De ondernemer tekent hiertegen bezwaar aan, waarna de inspecteur de aanslag vermindert tot nihil en de boete wegens het niet betalen van omzetbelasting vernietigt. De inspecteur handhaaft de boete wegens het niet doen van aangifte.
De kleine ondernemer stelt beroep in tegen de boete wegens het niet doen van aangifte. Zij voert aan dat zij in het betreffende tijdvak meedeed aan de kleineondernemersregeling (KOR) en dat zij daardoor niet verplicht was om aangifte omzetbelasting te doen. Zij vindt dat de boete daarom onterecht aan haar is opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de ondernemer aangifte omzetbelasting had moeten doen en dat zij dat niet gedaan heeft. De KOR wordt uitsluitend naar aanleiding van een verzoek van een belastingplichtige daartoe toegepast en de inspecteur stelt dat er bij de Belastingdienst geen verzoek van de ondernemer bekend is. Daarbij komt dat de inspecteur een brief heeft overgelegd waarin de ondernemer wordt gewezen op haar aangifteplicht. De ondernemer heeft daar niets tegenover gesteld anders dan de blote stelling dat zij meedeed aan de KOR.
De verzuimboete is dan ook terecht aan de ondernemer opgelegd. De rechtbank overweegt verder dat een verzuimboete als prikkel dient om aan aangifteverplichtingen te voldoen en dat deze onafhankelijk is van de hoogte van het bedrag van de verschuldigde belasting. De rechtbank acht de verzuimboete dan ook passend en geboden.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2025:668 | 09-02-2025
feb 13, 2025 | Omzetbelasting
Een bv biedt testkits aan, waarmee afnemers zich kunnen laten testen op soa's. De bv werkt samen met een medisch diagnostisch centrum voor de laboratoriumanalyses van de afgenomen tests. De afnemers sturen de tests rechtstreeks naar het laboratorium voor analyse. Bij een positieve uitslag kan de consument kosteloos een (video)consult krijgen bij een samenwerkende huisarts en worden eventuele medicijnen thuisbezorgd via een samenwerkende apotheek. De vraag is of de prestaties van de bv belast zijn met btw.
Standpunt van de belastingplichtige
De bv betoogt dat haar dienstverlening als één geheel moet worden gezien: het testen op aanwezigheid van soa's. Volgens het bedrijf valt deze dienst onder de medische vrijstelling van de Wet Omzetbelasting 1968. Deze vrijstelling geldt voor diensten op het vlak van geneeskundige verzorging van de mens door beoefenaren van medische beroepen. Het feit dat de bv zelf geen BIG-geregistreerde artsen in dienst heeft, maar samenwerkt met gekwalificeerde medische professionals, zou niet mogen afdoen aan de toepassing van de vrijstelling. Subsidiair stelt de bv dat haar diensten vrijgesteld zijn op basis van artikel 11, eerste lid, onderdeel c van de Wet OB.
Standpunt van de inspecteur
De inspecteur ziet de activiteiten van de bv als verschillende losstaande prestaties, die elk apart beoordeeld moeten worden. Hij onderscheidt:
- de levering van testkits;
- het faciliteren van de laboratoriumanalyse; en
- het communiceren van de testuitslag.
De inspecteur stelt dat geen van de afzonderlijke prestaties kwalificeert voor een btw-vrijstelling. De medische vrijstelling is volgens hem niet van toepassing omdat de bv zelf geen medische handelingen verricht en geen BIG-geregistreerde professionals in dienst heeft.
Oordeel van de rechtbank
Het oordeel van de rechtbank omvat twee belangrijke elementen. Ten eerste oordeelt zij dat sprake is van één enkele economische prestatie. Vanuit het oogpunt van de gemiddelde consument is het doel om te weten of men een soa heeft. Het laboratoriumonderzoek is daarbij het kenmerkende element. De testkit is slechts een middel om het monster aan te kunnen leveren en kan daarom niet als aparte levering worden gezien. Ook de communicatie van het testresultaat is onlosmakelijk verbonden met de hoofdprestatie: zonder uitslag zou de test immers zinloos zijn.
Ten tweede oordeelt de rechtbank dat deze prestatie valt onder de medische vrijstelling. De dienst heeft immers tot doel de gezondheid te beschermen door diagnose van ziekten. Het feit dat consumenten zelf het monster afnemen doet daar niet aan af. Bovendien wordt het laboratoriumonderzoek uitgevoerd door BIG-geregistreerde professionals. Dat de bv zelf geen medisch personeel in dienst heeft maar deze diensten inkoopt, staat volgens de rechtbank niet in de weg aan de toepassing van de vrijstelling.
Conclusie
Deze uitspraak kan relevant zijn voor ondernemers, die medische diensten aanbieden via een bedrijfsmodel, waarbij wordt samengewerkt met gekwalificeerde zorgverleners. De btw-behandeling van dergelijke diensten is complex en vraagt om een zorgvuldige analyse van de feiten en omstandigheden.
Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2025:1165, SGR 24/51 | 02-02-2025
jan 30, 2025 | Omzetbelasting
De Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat belastingplichtigen verplicht zijn om de inspecteur mededeling te doen van onjuistheden of onvolledigheden in voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens en inlichtingen.
Voor de omzetbelasting is dit voorschrift uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit. Zodra een belastingplichtige constateert dat over een tijdvak in de afgelopen vijf kalenderjaren te veel of te weinig belasting is betaald, is hij gehouden alsnog bij wijze van suppletie de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken. De suppletie moet gedaan worden voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur van de onjuistheid of onvolledigheid op de hoogte is. Het niet nakomen van de suppletieverplichting is een overtreding, waarvoor in geval van opzet of grove schuld een vergrijpboete kan worden opgelegd.
Tot en met 2024 gold dat dit zo spoedig mogelijk moest gebeuren. Per 1 januari 2025 is aan deze bepaling toegevoegd dat de suppletie binnen acht weken nadat de belastingplichtige de onjuistheid of onvolledigheid heeft geconstateerd moet worden ingediend. Reden voor toevoeging van de achtwekentermijn is de uitspraak van de rechtbank die het onmogelijk zou maken om een vergrijpboete op te leggen, uitsluitend vanwege het niet “zo spoedig mogelijk” suppleren. Volgens de rechtbank is de suppletie tijdig ingediend als dit is gebeurd voor het moment waarop de belastingplichtige weet, of redelijkerwijs moet vermoeden, dat de inspecteur met de desbetreffende onjuistheid of onvolledigheid bekend is of zal worden. Deze aan de inkeerregeling ontleende termijn blijft bestaan. De ondernemer moet suppleren voordat de eerste van de twee termijnen is verstreken. De termijn van acht weken vangt niet eerder aan dan op 1 januari 2025. Ondernemers die voor die datum hebben geconstateerd dat zij moeten suppleren, maar dat nog niet hebben gedaan, hebben nog tot 26 februari 2025 om de suppletie alsnog te doen.
Bron: Ministerie van Financiën | besluit | Staatsblad 2024, 441 | 17-12-2024
jan 30, 2025 | Omzetbelasting
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat buitensportactiviteiten op en rond het strand onder het verlaagd btw-tarief kunnen vallen. Voorwaarde is wel dat er gebruik kan worden gemaakt van een accommodatie met het oog op de voorbereiding voor het beoefenen van de sport en/of de afronding daarvan.
In een drietal zaken waarover de Hoge Raad heeft geoordeeld, vonden de sportactiviteiten plaats op een door de gemeente voor het beoefenen van strandsporten aangewezen openbaar stuk strand. Voor het blokarten, powerkiten, beachvolleybal, beachvoetbal en handboogschieten kunnen de sporters gebruikmaken van een nabijgelegen strandpaviljoen. Hier hebben zij de beschikking over een ontvangstruimte, een opslagruimte en een kleedruimte met douchegelegenheid. Voor de surflessen wordt een voor het omkleden en douchen ingerichte vrachtcontainer op het strand geplaatst, die bij slecht weer ook gebruikt kan worden voor instructies.
De Hoge Raad concludeert dat met de beschikking over het strandpaviljoen en de container aan de voorwaarde is voldaan dat er een accommodatie beschikbaar is voor instructie en omkleden. Het maakt daarbij niet uit dat het sporten plaatsvindt op openbaar terrein.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20258 | 16-01-2025
dec 19, 2024 | Omzetbelasting
De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer meegedeeld, dat hij het overgangsrecht bij de btw-verhoging op cultuur wil opschorten door middel van een beleidsbesluit. Hiermee is het in het Belastingplan 2025 opgenomen overgangsrecht niet meer van toepassing op vooruitbetalingen en tickets voor culturele activiteiten die vanaf 2026 of later plaatsvinden. Het beleidsbesluit geldt voor de periode van 1 januari 2025 tot 1 juli 2025. Het overgangsrecht blijft wel onderdeel van het Belastingplan 2025. De staatssecretaris verwacht hiermee voldoende tijd te hebben om in overleg met de Tweede Kamer tot een alternatief dekkingsvoorstel te komen.
Het opschorten van het overgangsrecht gaat gepaard met een incidentele budgettaire derving van € 135 miljoen. Deze wordt gedekt door de tarieven van de eerste en tweede schijf in de inkomstenbelasting voor één jaar met 0,03%-punt te verhogen in het jaar 2026.
Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2024-0000566936 | 12-12-2024