jul 9, 2026 | Inkomstenbelasting
Een man en een vrouw zijn fiscale partners van elkaar. De inspecteur legt in 2016 aanslagen inkomstenbelasting op voor het jaar 2015. In 2018 lijdt de vrouw een ondernemingsverlies. Dit verlies wordt in 2020 achterwaarts verrekend met haar inkomen uit werk en woning van 2015, waardoor haar aanslag wordt verminderd.
Verzoek om herverdeling
De heffingskorting, die voor de verliesverrekening wel kon worden benut, kan de vrouw nu niet meer ten volle benutten. Daarom verzoeken de man en vrouw na de verliesverrekening in juli 2020 gezamenlijk om herverdeling van de grondslag sparen en beleggen voor 2015. De inspecteur wijst dit verzoek af. Herverdeling is niet meer mogelijk, omdat de aanslagen 2015 op het moment van het verzoek al onherroepelijk vaststaan. De rechtbank bevestigt dit standpunt.
Toch herverdeling?
Het hof is het hier in eerste instantie mee eens en stelt dat de wet helder is. Echter, het hof overweegt vervolgens dat de wetgever niet heeft voorzien dat achterwaartse verliesverrekening kan leiden tot onbenutte heffingskortingen en dat herverdeling dit effect niet kan wegnemen als de aanslag van de partner onherroepelijk is. Het hof acht het niet aannemelijk dat de wetgever dit gevolg heeft willen aanvaarden en vermindert de aanslag van de man.
Hoge Raad bevestigt onherroepelijkheid
De staatssecretaris stelt beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het hof. De Hoge Raad oordeelt dat het middel van de staatssecretaris slaagt. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die leiden tot gevolgen die de wetgever niet heeft voorzien en niet wil aanvaarden. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:913 | 11-06-2026
jul 9, 2026 | Loonbelasting
Een bv krijgt een naheffingsaanslag loonheffingen met belastingrente en een verzuimboete opgelegd. De inspecteur corrigeert de kosten voor personal training en sportschoolabonnementen van de dga en zijn echtgenote. De dga vindt dat deze kosten onder de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen vallen. De werkgever zorgt hiermee voor de gezondheid van zijn werknemers, wat verplicht is volgens de wet.
Arbowet en gezagsverhouding
De dga is directeur en enig aandeelhouder van de bv en tevens de enige werknemer. De bv heeft een 51%-belang in een andere bv, waar de echtgenote van de dga in dienst is. De inspecteur stelt dat de dga een zelfstandige is en dat de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) niet van toepassing is. De rechtbank oordeelt echter dat er wel sprake is van een gezagsverhouding tussen de bv en de dga, waardoor de Arbowet van toepassing is. Het is niet relevant of materieel sprake is van een gezagsverhouding.
Gerichte vrijstelling en partner
De bv stelt dat de kosten voor personal training en het sportschoolabonnement van de dga onder de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen vallen. De rechtbank volgt dit standpunt en merkt op dat het direct-verbandcriterium niet meer geldt. De vrijstelling is ruim, waardoor de kosten voor de dga als gerichte vrijstelling kunnen worden aangemerkt. De kosten voor de partner van de dga vallen hier echter niet onder, omdat zij geen werknemer van de bv is.
Werkplek
De inspecteur betwist ook dat de voorzieningen op de werkplek zijn verbruikt. De rechtbank stelt vast dat arbovoorzieningen ook buiten de werkplek onder de gerichte vrijstelling kunnen vallen. Verder slaagt het standpunt van de inspecteur over de gebruikelijkheidstoets niet, omdat hij dit onvoldoende met data onderbouwt.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4935 | 03-07-2026
jul 9, 2026 | Inkomstenbelasting
Een ondernemer investeert ruim € 60.000 in een handelsbot die maandelijks 10 tot 20% rendement zou opleveren. De bot blijkt niet te bestaan en de aanbieder wordt veroordeeld voor oplichting. De ondernemer wil zijn verlies aftrekken als ondernemingskosten, maar het hof oordeelt dat de investering geen bron van inkomen vormt. Een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt, omdat de ondernemer nooit inzicht kreeg in de werking van de bot.
Van evenementen naar crypto
De ondernemer drijft een eenmanszaak die cursussen en evenementen over coaching en persoonlijke ontwikkeling organiseert. Via zijn zakelijke netwerk leert hij iemand kennen die beweert een handelsbot te hebben ontwikkeld waarmee geautomatiseerd in cryptocurrency wordt gehandeld. De aanbieder presenteert zijn product op een van de evenementen van de ondernemer en maakt een professionele indruk. Hij toont schermafbeeldingen waaruit blijkt dat de bot stabiel rendeert. De ondernemer, die zelf een opleiding tot blockchain-professional heeft gevolgd, raakt geïnteresseerd. Hij begint met een investering van duizend euro en ziet via een app dat zijn inleg in zeven maanden verdrievoudigt. Hij besluit meer te investeren en maakt uiteindelijk ruim zestigduizend euro over.
Oplichting aan het licht
Als de ondernemer zijn geld wil opnemen, komt de aanbieder met smoesjes. De ondernemer doet aangifte van oplichting. Uit het strafrechtelijk onderzoek blijkt dat de handelsbot nooit heeft bestaan. De schermafbeeldingen waren gefingeerd. De aanbieder wordt veroordeeld voor oplichting van 65 slachtoffers. De ondernemer dient vervolgens een herziene aangifte inkomstenbelasting in, waarin hij het verlies als ondernemingskosten opvoert. De inspecteur weigert de aftrek.
Geen objectieve voordeelsverwachting
Voor het hof staat de vraag centraal of de investering in de handelsbot een bron van inkomen vormt. Dat vereist deelname aan het economisch verkeer, het subjectief beogen van voordeel en een objectieve voordeelsverwachting. De eerste twee voorwaarden zijn niet in geschil. De derde wel. De ondernemer betoogt dat hij redelijkerwijs voordeel mocht verwachten omdat de aanbieder overtuigend overkwam, resultaten toonde en 65 anderen eveneens heeft opgelicht. Het hof verwerpt dit betoog. Doorslaggevend is dat de ondernemer, ondanks herhaalde verzoeken, nooit inzicht heeft gekregen in de werking van de bot. De ongefundeerde beweringen van de aanbieder, hoe overtuigend die subjectief ook waren, maken niet dat naar objectieve maatstaven een geldelijk voordeel redelijkerwijs kon worden verwacht.
Geen verband met onderneming
De ondernemer stelt subsidiair dat het verlies verband houdt met zijn bestaande onderneming. Hij wilde via de investering kennis opdoen om cursussen over cryptohandel te kunnen ontwikkelen. Ook dit argument verwerpt het hof. De ondernemer heeft niet aannemelijk gemaakt dat de investering diende om cursussen te ontwikkelen. Evenmin heeft hij onderbouwd dat hij met ondernemingsvermogen heeft geïnvesteerd. Het verlies is niet aftrekbaar in box 1.
Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:1598 | 12-05-2026
jul 2, 2026 | Inkomstenbelasting
Een ondernemer mag jaarlijks maximaal 20% van de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen afschrijven. Dit percentage geldt voor de kosten exclusief btw, tenzij de btw niet kan worden teruggevraagd. Deze regel zorgt er in de meeste gevallen voor dat de afschrijving over een langere periode wordt gespreid.
Afschrijving en autokosten
Een ondernemer schaft een laptop, tablet en accessoires aan voor € 2.934, exclusief btw (€ 3.551 inclusief). In zijn aangifte neemt hij € 3.551 aan afschrijvingskosten op. De inspecteur corrigeert dit bedrag in de definitieve aanslag. Na bezwaar staat de inspecteur € 711 (20% van € 3.551) aan afschrijvingskosten toe.
Maximale afschrijving
De ondernemer stelt dat hij recht heeft op een hogere afschrijving. De rechtbank overweegt echter dat de afschrijvingsbasis € 2.934 exclusief btw is, omdat de ondernemer de btw op de computerkosten heeft teruggevraagd. De maximale jaarlijkse afschrijving bedraagt daar 20% van, wat neerkomt op € 587. De inspecteur heeft in de bezwaarfase al € 711 aan afschrijvingskosten toegestaan, wat dus al hoger is dan het wettelijk toegestane bedrag.
Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:15431 | 28-05-2026
jul 2, 2026 | Successiewet
Een vader overlijdt in november 2016 en laat zijn zoon en dochter achter als erfgenamen, ieder voor de helft van de nalatenschap. Tot de nalatenschap behoren alle aandelen in de bv van de vader die acht bedrijfspanden bezit in dezelfde plaats. Twee panden gebruikt de bv zelf, de overige zes worden verhuurd aan derden. De bv had voor het overlijden van de vader drie werknemers in dienst: de vader zelf, zijn partner en een medewerker die zorgt voor klein onderhoud en toezicht. De erfgenamen geven een ondernemingsvermogen aan van ruim € 3,1 miljoen en vragen toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (bor).
Waarom is de materiële onderneming zo belangrijk?
De bor biedt een voorwaardelijke vrijstelling van erfbelasting voor ondernemingsvermogen. Het doel van de regeling is om te voorkomen dat erfgenamen een familiebedrijf moeten verkopen om de erfbelasting te kunnen betalen. Een cruciale voorwaarde is echter dat de bv een materiële onderneming drijft in de zin van de Wet inkomstenbelasting. Bezit de bv alleen beleggingsvermogen, dan geldt de vrijstelling niet. Het onderscheid tussen ondernemen en beleggen is daarom van groot belang: bij een belaste verkrijging van ruim € 1,7 miljoen kan de vrijstelling honderdduizenden euro's aan erfbelasting schelen.
Meer dan normaal vermogensbeheer?
De zoon betoogt dat de bv wel degelijk een materiële onderneming dreef. Hij wijst op de opruimwerkzaamheden die nodig waren nadat een failliete huurder onbevoegd chemische stoffen had opgeslagen. Bovendien woonde de vader als beheerder op het terrein, wat volgens de zoon leidde tot lagere onderhoudskosten en een betere verhuurbaarheid. Ook hadden huurders verbouwingen uitgevoerd die de bv een hoger indirect rendement zouden opleveren. De inspecteur bestrijdt dat deze werkzaamheden het normale vermogensbeheer overstijgen.
Gewone verhuurwerkzaamheden
Het hof geeft de inspecteur gelijk. Bij de exploitatie van onroerende zaken is pas sprake van een onderneming als de verrichte arbeid naar aard en omvang meer omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Bovendien moet die arbeid onmiskenbaar ten doel hebben dat een rendement wordt behaald dat het normale rendement te boven gaat. De werkzaamheden van de bv voldoen niet aan deze dubbele maatstaf. Het opstellen van huurovereenkomsten, het onderhouden van contact met huurders, debiteurenbeheer, klachtenbehandeling en klein onderhoud zijn immers werkzaamheden die bij iedere verhuurder voorkomen. Dat de vader op het terrein woonde maakt dit niet anders, omdat de zoon niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit daadwerkelijk tot een hoger rendement leidde.
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:3418 | 26-05-2026