jun 18, 2026 | Inkomstenbelasting
Een echtpaar vraagt om herverdeling van de gezamenlijke inkomensbestanddelen over 2019. De inspecteur legt een navorderingsaanslag op aan de man en geeft een teruggaaf aan de vrouw. Bij de navorderingsaanslag brengt de inspecteur € 3.681 aan belastingrente in rekening, meer dan het echtpaar oorspronkelijk samen verschuldigd was. De man protesteert. Hij vindt het niet terecht dat de inspecteur bij een herverdeling meer belastingrente in rekening brengt.
Oorspronkelijk te weinig rente berekend
Hij wijst erop dat de totale belastingrente bij de oorspronkelijke aanslagen slechts € 2.675 bedroeg. Door de herverdeling stijgt zijn belastingrente dus fors. De inspecteur erkent echter dat hij bij de oorspronkelijke aanslagen een fout had gemaakt. Hij had de rente over een te korte periode berekend. Eigenlijk had de totale belastingrente € 6.889 moeten zijn. De man heeft dus juist voordeel gehad van de fout.
Beroep op EVRM en evenredigheid
De man stelt dat het percentage belastingrente in strijd is met hogere regelgeving. Hij beroept zich onder meer op het EVRM en het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026. Daarin oordeelde de Hoge Raad weliswaar dat de belastingrente voor de vennootschapsbelasting te hoog is, maar dat dit niet geldt voor de inkomstenbelasting. Het rentepercentage is niet disproportioneel. De prikkel om tijdig en juist aangifte te doen is immers een legitiem doel.
Wijziging door verzoek, niet door bezwaar
Subsidiair beroept de man zich op het verbod van reformatio in peius. De belastingrente mag door het bezwaar niet hoger worden dan bij de oorspronkelijke aanslagen. De rechtbank gaat hier niet in mee. De belastingrente is namelijk gewijzigd als gevolg van het verzoek om een andere verdeling, niet door het bezwaar. Dat de inspecteur bij de oorspronkelijke aanslagen te weinig rente in rekening had gebracht, doet daar niet aan af. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:3362 | 28-04-2026
jun 18, 2026 | Vennootschapsbelasting
Een dga sluit een overeenkomst voor de aankoop van cryptotokens. De bv maakt het aankoopbedrag van € 250.000 over. De tokens blijken waardeloos. De bv wil het verlies ten laste van haar resultaat brengen. De inspecteur weigert de afwaardering. De overeenkomst staat immers op naam van de dga, niet op naam van de bv.
Investering in cryptomining
In 2018 wordt de dga benaderd door een bedrijf uit de Verenigde Arabische Emiraten. Het bedrijf wil geld ophalen voor een cryptominingonderneming. De dga krijgt een brochure met mooie rendementsvooruitzichten. Hij sluit een overeenkomst voor de aankoop van ruim 422 miljoen tokens voor € 250.000. De tokens geven recht op een maandelijks aandeel in de opbrengst van de mining. De bv maakt het bedrag over. In de jaarrekening 2018 van de bv worden de tokens opgenomen onder financiële vaste activa.
Investering blijkt waardeloos
Het blijkt echter dat er niets gebeurt met het geld. De cryptomining komt nooit van de grond. In mei 2020 bevestigt een van de betrokkenen per e-mail dat het project is mislukt en de investering waardeloos is. Een onderzoeksbureau concludeert in opdracht van de dga dat voldoende grond bestaat voor aangifte wegens oplichting. In de aangifte vennootschapsbelasting 2019 brengt de bv de volledige € 250.000 in aftrek als afwaardering van de tokens.
Overeenkomst staat op naam dga
De inspecteur weigert de aftrek. De overeenkomst is immers door de dga in privé gesloten, niet door de bv. Ook het ontvangstbewijs voor de tokens staat op naam van de dga. Dat de bv het bedrag heeft overgemaakt, maakt dit niet anders. De betaling kwalificeert als verkapte winstuitdeling aan de dga. De inspecteur legt een aanslag op naar een belastbaar bedrag van € 3.556.548 in plaats van de aangegeven € 3.306.548.
Hof volgt inspecteur
De curator van de inmiddels failliete bv gaat in beroep. Hij stelt dat de bv om zakelijke redenen in de tokens heeft geïnvesteerd, namelijk om handelstransacties in cryptovaluta te faciliteren. Het hof oordeelt dat de bewijslast bij de curator ligt. Uit de overeenkomst blijkt nergens dat de dga namens de bv handelde. De curator heeft ook geen e-mails of andere stukken uit 2018 overgelegd waaruit dit zou kunnen blijken. De inspecteur had hier al vóór het faillissement om gevraagd. Dat de stukken er niet meer zijn, komt voor rekening van de bv. Bovendien heeft de accountant zich onthouden van een oordeel over de jaarrekening. De afwaardering is terecht geweigerd.
Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:1023 | 18-03-2026
jun 18, 2026 | Civiel recht
Een adviseur begeleidt de sanering van een groep vennootschappen. De vennootschappen gaan failliet. De curator stelt de adviseur aansprakelijk voor de schade van de schuldeisers. Die schade bestaat grotendeels uit belastingschulden. De adviseur vindt dat die belastingschulden niet kloppen en wil dat de Ontvanger ze intrekt. Kan een buitenstaander de belastingschuld van een ander aanvechten?
Faillissement en Peeters/Gatzen-vordering
In 2006 gaan zeven vennootschappen failliet. De Ontvanger dient naheffingsaanslagen loonheffing en omzetbelasting in. De curator stelt de adviseur aansprakelijk namens de gezamenlijke schuldeisers wegens onrechtmatig handelen bij de sanering. Dit is een zogeheten Peeters/Gatzen-vordering: de curator vordert niet namens de boedel, maar namens alle schuldeisers gezamenlijk. Het hof wijst de vordering toe en veroordeelt de adviseur tot schadevergoeding. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.
Nieuwe administratie duikt op
Jaren later krijgt de adviseur administratie in handen waaruit zou blijken dat de vennootschappen helemaal geen omzetbelastingschulden hadden. Hij probeert het arrest te laten herroepen. De Hoge Raad vernietigt de afwijzing van dat verzoek en wijst de zaak terug. Uiteindelijk schikken de adviseur en de curator. Maar daarmee is de kous niet af. De adviseur wil ook dat de Ontvanger de belastingaanslagen intrekt.
Ontvanger erkent kleine fout
De adviseur vraagt de Ontvanger de belastingaanslagen te toetsen op materiële verschuldigdheid. De Ontvanger erkent dat een bedrag van € 14.006 ten onrechte niet is verrekend, maar wijst het verzoek voor het overige af. De aanslagen zijn volgens hem niet onmiskenbaar onjuist. De adviseur stapt naar de burgerlijke rechter en eist intrekking plus schadevergoeding. De rechtbank en het hof wijzen de vorderingen af.
Ommezwaai bij verhaalsconcurrentie
De Hoge Raad zet de regels op een rij. Als de Ontvanger iemand aansprakelijk stelt voor de belastingschuld van een ander, mag die persoon de juistheid van de schuld bij de burgerlijke rechter betwisten. Nieuw is dat dit ook geldt bij verhaalsconcurrentie, de situatie waarin de Ontvanger en een andere schuldeiser beide verhaal zoeken op dezelfde schuldenaar. Op dit punt komt de Hoge Raad uitdrukkelijk terug van zijn in 2011 gewezen arrest Dumatrust/Ontvanger.
Adviseur vangt bot
De adviseur valt echter buiten deze categorieën. Hij is niet door de Ontvanger aansprakelijk gesteld en er is geen verhaalsconcurrentie. Het is de curator die hem aansprakelijk heeft gesteld. In zo'n geval moet de adviseur het uitvechten met de curator, niét met de Ontvanger. De Ontvanger handelt pas onrechtmatig als hij bij indiening of handhaving van de vordering wist, of na onderzoek had moeten weten, dat de aanslagen niet klopten. Dat is hier niet gebleken. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:817 | 28-05-2026
jun 18, 2026 | Belastingplan
De voorlopige inhoud van het Belastingplan 2027-pakket geeft een eerste blik op de aanstaande wijzigingen. Het pakket Belastingplan 2027 omvat vier wetsvoorstellen, waaronder het Belastingplan 2027 zelf en het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2027, dat technische aanpassingen bevat zonder budgettaire gevolgen. Daarnaast zijn er wetsvoorstellen voor veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 en fiscale stimulering van startups en scale-ups.
Overdrachtsbelasting en btw
De overdrachtsbelasting voor particuliere investeerders daalt van 8% naar 7% per 1 januari 2027 voor woningen waarin de verkrijger niet zelf duurzaam gaat wonen. Ook komt er een nieuwe vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor woningcorporaties die DAEB-woningen aan elkaar overdragen. Het lage btw-tarief voor sierteeltproducten stijgt van 9% naar het algemene btw-tarief van 21% per 1 januari 2028.
Aftrekposten en accijnzen
De aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten wordt afgeschaft per 2028. De startersaftrek wordt per 1 januari 2027 verlaagd en per 1 januari 2028 volledig afgeschaft. De onbelaste reiskostenvergoeding stijgt met € 0,02 naar € 0,25 per kilometer, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026. De korting op de brandstofaccijns voor benzine wordt verlengd in 2027, waarna het reguliere tarief per 1 januari 2028 weer van toepassing is. Vanaf 2027 worden de alcoholaccijnzen jaarlijks geïndexeerd.
Fiscale stimulering en overige maatregelen
Het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) wordt per 1 januari 2027 verhoogd van 40% naar 45,5%. De fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten onder de deelnemingsvrijstelling wordt aangepast om onevenwichtigheden weg te nemen. De accijnsteruggaafregeling voor bio- en hernieuwbare brandstoffen wordt per 1 januari 2027 beëindigd.
Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2026D28734 | 09-06-2026
jun 11, 2026 | Vennootschapsbelasting
Een recyclingbedrijf betaalt in 2017 ruim € 1 miljoen aan twee bv's voor de levering van cacaoveegsel en steigermateriaal. De FIOD vermoedt dat geen goederen zijn geleverd en dat het om witwassen gaat. De strafrechter spreekt het bedrijf vrij. Toch legt de inspecteur een navorderingsaanslag op. Mag dat na een vrijspraak? En wat betekent de vrijspraak voor de vergrijpboete?
Opmerkelijke transacties
Het recyclingbedrijf maakt deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. In 2017 stelt het bedrijf creditfacturen op aan twee bv's: € 325.000 voor cacaoveegsel en € 753.280 voor steigermateriaal. Het bedrijf betaalt deze bedragen aan de twee bv's en brengt ze als inkoopkosten in aftrek. De FIOD doet onderzoek. De twee bv's blijken holdings te zijn zonder activiteiten in de recyclingbranche. Weegbonnen, vrachtbrieven en andere documenten die de leveringen onderbouwen, ontbreken. De dga verklaart dat hij niet weet van wie de goederen afkomstig zijn en dat hij geen contactpersoon heeft bij een van de bv's.
Vrijspraak voor witwassen en valsheid in geschrifte
Het recyclingbedrijf wordt vervolgd voor witwassen en valsheid in geschrifte. De strafrechter spreekt het bedrijf vrij. Er zijn weliswaar aanwijzingen dat een goederenstroom ontbreekt, maar er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de facturen vals zijn. De inspecteur legt desondanks een navorderingsaanslag op van ruim € 1 miljoen aan gecorrigeerde winst, plus een vergrijpboete van € 129.785.
Belastingrechter oordeelt zelfstandig
De rechtbank oordeelt dat de strafrechtelijke vrijspraak niet in de weg staat aan de navorderingsaanslag. De belastingrechter vormt zelfstandig een oordeel over de feiten en is daarbij niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter. De bewijslast voor de inkoopkosten rust op het bedrijf. Het bedrijf slaagt daar niet in. De creditfacturen zijn door het bedrijf zelf opgesteld en worden niet ondersteund door achterliggende stukken of een geloofwaardige verklaring. Bij een kostenpost van ruim € 1 miljoen mag worden verwacht dat deze kan worden onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens.
Boete sneuvelt op onschuldpresumptie
Voor de vergrijpboete geldt een ander regime. De inspecteur moet overtuigend aantonen dat sprake is van opzet. Hij baseert zich uitsluitend op de bevindingen van het strafrechtelijke onderzoek en heeft geen aanvullend onderzoek verricht. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur daarmee niet in zijn bewijslast slaagt. De boete verwijt het bedrijf in wezen dat het valse facturen heeft gebruikt. Dat uitgangspunt is na de strafrechtelijke vrijspraak in strijd met de onschuldpresumptie. De rechtbank vernietigt daarom de boete.
Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:9897 | 23-04-2026