mrt 19, 2026 | Algemeen
Een man krijgt een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Hij maakt bezwaar en gaat vervolgens in beroep. Hij verwijst naar een uitspraak die niet bestaat en hamert op een verkeerde straatnaam in de aanslag. De rechtbank vermoedt dat de man juridisch advies heeft ingewonnen bij ChatGPT. Dat had hij beter ‘bij iemand die ter zake kundig is’ kunnen doen.
Fout parkeervak, foute straatnaam
Een man parkeert, zonder te betalen, zijn auto in een zijstraat zonder naam in ‘s-Hertogenbosch. Een scanauto registreert de overtreding en een naheffingsaanslag volgt. De man maakt bezwaar tegen de naheffingsaanslag, aangezien in de aanslag een verkeerde straatnaam is vermeld. De heffingsambtenaar legt uit dat het systeem bij een naamloze straat automatisch de dichtstbijzijnde straat met een naam selecteert. De man laat het er niet bij zitten en gaat in beroep. Hij vindt dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag.
Hallucinerende AI
De rechtbank heeft de indruk dat de man juridisch advies heeft ingewonnen bij ChatGPT of een andere generatieve AI. Een sterke aanwijzing hiervoor is dat de man verwijst naar een uitspraak van rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2022. Deze uitspraak bestaat niet. Het ECLI-nummer betreft een niet-gepubliceerde uitspraak van 20 juli 2022 in een civiele zaak. Ook is van de rechtbank Amsterdam geen uitspraak van 18 augustus 2022 gepubliceerd die over een parkeerbelastingzaak gaat. De rechtbank overweegt dat generatieve AI regelmatig ‘hallucineert’ bij het aanhalen van rechtspraak. Had de man een deskundige geraadpleegd, dan had deze hem verteld dat procederen zinloos was. Dit had hem zowel de naheffingsaanslag als het griffierecht bespaard.
Zo formalistisch zit het recht niet in elkaar
De rechtbank maakt korte metten met de argumenten van de man. De straatnaamvermelding dient ertoe dat duidelijk is waar het voertuig stond. Dat was de man kristalhelder, want hij voegde zelf een kaartje bij zijn beroepschrift met de exacte locatie. Die kwam vrijwel overeen met de registratie van de heffingsambtenaar. Een verkeerde straatnaam is dus geen reden de aanslag te vernietigen. De man voert verder aan dat het parkeerbord niet goed zichtbaar was door begroeiing. De rechtbank acht het opvallend dat hij dit argument pas in laatste instantie opwerpt. Bovendien stonden er zoneborden langs de toegangswegen, waardoor de betalingsverplichting voldoende duidelijk was.
Vraag een mens
Deze uitspraak is een waarschuwing voor wie juridisch advies inwint bij AI. Generatieve AI kan overtuigend klinkende, maar onjuiste informatie produceren, inclusief verwijzingen naar niet-bestaande rechtspraak. Advies inwinnen bij iemand die ter zake kundig is, scheelt een gang naar de rechter (én het schaamrood op de kaken). De man in kwestie is nu niet alleen de al betaalde kosten voor de naheffingsaanslag kwijt, maar ook het griffierecht. Leergeld, zullen we maar zeggen.
Bron: Rechtbank Oost-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBOBR:2026:934 | 11-02-2026
mrt 12, 2026 | Successiewet
Een vrouw mag na het overlijden van haar partner levenslang in zijn woning blijven wonen voor € 500 per maand. De inspecteur merkt dit huurrecht aan als een fictieve erfrechtelijke verkrijging en legt een aanslag erfbelasting op. De vrouw vindt de waardering te hoog. Bij de berekening moet volgens haar rekening worden gehouden met toekomstige huurverhogingen én met het feit dat het huurrecht vervalt als zij verhuist.
Levenslang woonrecht voor een prikkie
Een man en vrouw hebben een affectieve relatie, maar zijn niet getrouwd en hebben geen samenlevingscontract. De man bezit via zijn bv een woning. In 2007 ondertekenen zij een verklaring dat als de man overlijdt, de vrouw levenslang in de woning mag blijven voor € 500 per maand. De huurprijs is niet vatbaar voor verhogingen, maar mag wel geïndexeerd worden. De man overlijdt in 2021. De vrouw staat niet in zijn testament. De inspecteur ziet de huurverklaring als een schenking onder opschortende voorwaarde. Nu de man is overleden, is de voorwaarde vervuld. De schenking wordt daarom behandeld als een fictieve verkrijging krachtens erfrecht.
Hoe waardeer je zo’n recht?
De waarde van het huurrecht wordt berekend als een vruchtgebruik. De inspecteur gaat uit van een vaste huur van € 6.000 per jaar. De vrouw stelt dat rekening moet worden gehouden met indexatie. Door de indexatiemogelijkheid is de jaarlijkse huur onzeker. Op basis van de gemiddelde inflatie van de afgelopen tien jaar, komt zij uit op een geschat gemiddelde van € 6.942 per jaar. De rechtbank volgt haar. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat bij de waardering rekening wordt gehouden met het geschatte gemiddelde jaarbedrag, inclusief indexatie.
Verhuizen betekent einde huurrecht
De vrouw voert daarnaast aan dat het huurrecht minder waard is, omdat het vervalt zodra zij ergens anders gaat wonen. Dit heet een metterwoonclausule. De rechtbank is het daarmee eens. Uit de huurverklaring volgt dat het in beginsel levenslange huurrecht eindigt als de vrouw verhuist. Dat is een waardedrukkende factor. In navolging van eerdere rechtspraak stelt de rechtbank de waardevermindering op 25%. Het maakt daarbij niet uit dat het gaat om een persoonlijk recht en niet om een zakelijk recht zoals vruchtgebruik.
Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:1201 | 10-03-2026
mrt 12, 2026 | Inkomstenbelasting
Een dga ontvangt al jaren een managementvergoeding van zijn holding voor zijn werk als directeur. Daarnaast heeft hij recht op stamrechtuitkeringen van zijn pensioen-bv. De uitkeringen hadden uiterlijk in 2017 moeten ingaan, toen hij de AOW-leeftijd bereikte. Dat gebeurt echter niet. De man blijft fulltime werken als directeur en ontvangt een managementvergoeding van zijn holding.
Stamrecht te laat ingegaan
De inspecteur constateert dat het stamrecht te laat is ingegaan. Normaal gesproken leidt dat tot belastingheffing over de volledige waarde van de aanspraak in één keer, plus 20% revisierente. De inspecteur biedt echter een alternatief: herstel de situatie door alsnog stamrechtuitkeringen aan te geven vanaf 2018. De dga kiest voor het alternatief, maar wil de managementvergoeding met terugwerkende kracht verlagen. Zijn redenering: als hij alsnog stamrechtuitkeringen moet aangeven, mag hij zijn managementvergoeding navenant verlagen. Per saldo blijft zijn inkomen dan gelijk.
Twee vennootschappen, twee titels
De inspecteur weigert. De managementvergoeding is de betaling voor zijn werk als directeur en komt van de holding. De stamrechtuitkering is de betaling uit zijn oude ontslagvergoeding en komt van de pensioen-bv. Dit zijn twee verschillende vennootschappen met twee verschillende redenen om te betalen. Je kunt de ene niet wegstrepen tegen de andere.
Ontvangen blijft ontvangen
Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank. De dga heeft de managementvergoeding ontvangen en de holding heeft loonheffingen ingehouden en afgedragen. Daarmee is het loon genoten. Dat is een feit waaraan je achteraf niet kunt morrelen. De dga stelt dat sprake is van een fout die hersteld moet worden. Het hof ziet dat anders. Er is geen fout, maar een gewijzigd standpunt. Het achteraf verlagen van de vergoeding zou hooguit leiden tot negatief loon in het jaar van terugbetaling. Het doet niets af aan het feit dat de dga het loon in 2018 en 2019 al heeft genoten.
Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:134 | 10-03-2026
mrt 12, 2026 | Inkomstenbelasting
Een man houdt alle aandelen in een holding die deelneemt in het familiebedrijf. De holding heeft een vordering op hem in rekening-courant. Deze vordering staat jarenlang op de balans en loopt gestaag op tot € 314.136 in 2016. Er vinden geen aflossingen of rentebetalingen plaats. De man geeft de schuld zelf aan in zijn aangiften inkomstenbelasting voor box 3. In 2015 treedt hij af als bestuurder. Een stichting neemt het bestuur over. In mei 2016 sluiten de man en de holding een vaststellingsovereenkomst waarin staat dat de rekening-courantschuld na onderzoek ‘ongegrond’ blijkt en wordt kwijtgescholden. Eind 2016 wordt de holding ontbonden.
Nooit bestaan?
De inspecteur merkt de kwijtschelding aan als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. De helft wordt bij de man belast, de andere helft bij zijn echtgenote. De man stelt dat de schuld nooit heeft bestaan. Zijn vader en broer deden de administratie van het familiebedrijf en de holding. Hij was daar zelf niet bij betrokken. De boekingen waren fout. Een accountant zou dat hebben vastgesteld in een rapport, maar de man kent de naam van die accountant niet en heeft het rapport nooit gezien.
Eigen verantwoordelijkheid
De rechtbank gaat niet mee in het verweer. De vordering stond jarenlang in de aangiften vennootschapsbelasting van de holding én in de eigen aangiften inkomstenbelasting van de man. Professionele adviseurs hebben die aangiften opgesteld zonder vraagtekens te plaatsen bij de vordering. De man heeft zelf de vaststellingsovereenkomst getekend waarin de schuld wordt kwijtgescholden. Als dga had hij een eigen verantwoordelijkheid voor de fiscale verplichtingen. Dat hij de administratie aan anderen overliet, komt voor zijn rekening en risico. De rechtbank acht bewezen dat de schuld heeft bestaan en dat de kwijtschelding een verkapte uitdeling is.
Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2025:22439 | 12-11-2025
mrt 5, 2026 | Loonbelasting
Een werknemer krijgt na jaren trouwe dienst alle aandelen van zijn werkgever geschonken. De aandelen zijn € 7,8 miljoen waard. De inspecteur merkt dit bedrag aan als loon uit dienstbetrekking. De werknemer heeft immers geen familieband met de schenker en dankt de schenking aan zijn bewezen kwaliteiten als directeur. De werknemer stelt dat sprake is van een zuivere schenking in het kader van bedrijfsopvolging. Vormen de aandelen loon?
Van junior tot directeur tot eigenaar
Een man begint in 2000 als junior bij een concern en werkt zich op tot directeur. Sinds 2007 is hij onafgebroken in dienst. De enig aandeelhouder heeft geen opvolger binnen de familie en wil dat het meer dan honderdjarige familiebedrijf zijn karakter behoudt. Hij schenkt in 2022 alle aandelen aan de directeur. De waarde bedraagt € 7,8 miljoen. De schenking bevat een doorgeefverplichting: als de directeur geen bestuurder meer is, moet hij de aandelen om niet overdragen aan zijn opvolger(s). De inspecteur belast het volledige bedrag als loon in box 1.
Beloning of bedrijfsopvolging?
De inspecteur stelt dat een causaal verband bestaat tussen de schenking en de dienstbetrekking. De werknemer kreeg de aandelen omdat hij zich als werknemer had bewezen. Zonder die dienstbetrekking had hij de aandelen nooit gekregen. Bovendien ontbreekt een familieband of andere persoonlijke relatie met de schenker. De werknemer betoogt dat sprake is van een reële bedrijfsopvolging. De schenker wilde de continuïteit van de onderneming waarborgen en voorkomen dat het bedrijf ten prooi zou vallen aan grotere spelers.
Causaal verband is niet genoeg
De rechtbank stelt voorop dat de aandelen behoorden tot het privévermogen van de schenker en niet tot het vermogen van de werkgever. De schenker is niet gecompenseerd voor zijn verarming. Een causaal verband tussen voordeel en dienstbetrekking betekent nog niet dat de werkgever dit voordeel heeft verstrekt. Uit het getuigenverhoor blijkt dat de schenker de aandelen uit eigen beweging schonk, vanuit zijn diepgewortelde wens dat de onderneming haar karakter zou behouden. De schenker had daarbij vooral zijn aandeelhouderspet op, niet zijn werkgeverspet. Bovendien kreeg de werknemer de aandelen niet vrij in handen: hij moet ze doorgeven aan zijn opvolgers. De doorgeefverplichting benadrukt hier dat de continuïteit van de onderneming vooropstaat, niet de beloning van de werknemer. Van loon van derden of fooien is evenmin sprake, omdat de aandelen geen vergoeding vormen voor verrichte werkzaamheden.
Bron: Rechtbank Noord-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNNE:2026:213 | 28-01-2026