Boete vervalt door strafrechtelijke vrijspraak, navordering niet

Boete vervalt door strafrechtelijke vrijspraak, navordering niet

Een recyclingbedrijf betaalt in 2017 ruim € 1 miljoen aan twee bv's voor de levering van cacaoveegsel en steigermateriaal. De FIOD vermoedt dat geen goederen zijn geleverd en dat het om witwassen gaat. De strafrechter spreekt het bedrijf vrij. Toch legt de inspecteur een navorderingsaanslag op. Mag dat na een vrijspraak? En wat betekent de vrijspraak voor de vergrijpboete?

Opmerkelijke transacties

Het recyclingbedrijf maakt deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. In 2017 stelt het bedrijf creditfacturen op aan twee bv's: € 325.000 voor cacaoveegsel en € 753.280 voor steigermateriaal. Het bedrijf betaalt deze bedragen aan de twee bv's en brengt ze als inkoopkosten in aftrek. De FIOD doet onderzoek. De twee bv's blijken holdings te zijn zonder activiteiten in de recyclingbranche. Weegbonnen, vrachtbrieven en andere documenten die de leveringen onderbouwen, ontbreken. De dga verklaart dat hij niet weet van wie de goederen afkomstig zijn en dat hij geen contactpersoon heeft bij een van de bv's.

Vrijspraak voor witwassen en valsheid in geschrifte

Het recyclingbedrijf wordt vervolgd voor witwassen en valsheid in geschrifte. De strafrechter spreekt het bedrijf vrij. Er zijn weliswaar aanwijzingen dat een goederenstroom ontbreekt, maar er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de facturen vals zijn. De inspecteur legt desondanks een navorderingsaanslag op van ruim € 1 miljoen aan gecorrigeerde winst, plus een vergrijpboete van € 129.785.

Belastingrechter oordeelt zelfstandig

De rechtbank oordeelt dat de strafrechtelijke vrijspraak niet in de weg staat aan de navorderingsaanslag. De belastingrechter vormt zelfstandig een oordeel over de feiten en is daarbij niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter. De bewijslast voor de inkoopkosten rust op het bedrijf. Het bedrijf slaagt daar niet in. De creditfacturen zijn door het bedrijf zelf opgesteld en worden niet ondersteund door achterliggende stukken of een geloofwaardige verklaring. Bij een kostenpost van ruim € 1 miljoen mag worden verwacht dat deze kan worden onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens.

Boete sneuvelt op onschuldpresumptie

Voor de vergrijpboete geldt een ander regime. De inspecteur moet overtuigend aantonen dat sprake is van opzet. Hij baseert zich uitsluitend op de bevindingen van het strafrechtelijke onderzoek en heeft geen aanvullend onderzoek verricht. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur daarmee niet in zijn bewijslast slaagt. De boete verwijt het bedrijf in wezen dat het valse facturen heeft gebruikt. Dat uitgangspunt is na de strafrechtelijke vrijspraak in strijd met de onschuldpresumptie. De rechtbank vernietigt daarom de boete.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:9897 | 23-04-2026
Systeem vergeet eerdere verrekening: navordering toegestaan

Systeem vergeet eerdere verrekening: navordering toegestaan

Een bv ontvangt € 3,5 miljoen dubbel terug na een jarenlange procedure over verliesverrekening. Het systeem van de Belastingdienst 'vergeet' dat de voorlopige teruggaven al eerder waren teruggevorderd. De inspecteur corrigeert de fout via navorderingsaanslagen. De bv stelt dat navordering op een verliesverrekeningsbeschikking niet mogelijk is. De rechter oordeelt anders. Een automatiseringsfout bij verliesverrekening kan worden hersteld via navordering.

Verlies eerst afgewezen, later alsnog geaccepteerd

De bv doet in 2011 aangifte vpb 2010 met een verlies van € 17,3 miljoen. Zij vraagt voorlopige verliesverrekening (carry-back) naar de jaren 2007, 2008 en 2009. De inspecteur verleent voorlopige teruggaven van in totaal € 3,5 miljoen. In 2014 legt de inspecteur de definitieve aanslag 2010 op naar een positief belastbaar bedrag. Hij accepteert het verlies niet en vordert de voorlopige teruggaven terug via die aanslag. De bv gaat in beroep en krijgt na een procedure tot aan de Hoge Raad in 2022 alsnog gelijk.

Systeem genereert dubbele teruggaaf

De inspecteur moet nu alsnog definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen afgeven. Een medewerker voert het verlies in het systeem in. Het systeem maakt automatisch beschikkingen aan, maar houdt geen rekening met het feit dat de voorlopige teruggaven al waren teruggevorderd in 2014. Resultaat: de bv ontvangt opnieuw € 3,5 miljoen. Uit een interne e-mail blijkt dat de medewerker niets kon aanpassen aan de verrekening van de voorlopige teruggaven. Het systeem bevatte die informatie niet meer.

Geen nieuw feit, wel kenbare fout

De inspecteur kan in deze zaak niet navorderen op grond van een nieuw feit. De inspecteur wist immers wat er was gebeurd. Hij wijkt daarom uit naar navordering wegens een kenbare fout. De bv stelt dat een verliesverrekeningsbeschikking geen belastingaanslag is en dat navordering langs die weg niet mogelijk is. De rechtbank verwerpt dit. 

Automatiseringsfout, geen beoordelingsfout

De bv stelt verder dat sprake is van een beoordelingsfout die niet via navordering kan worden hersteld. De rechtbank oordeelt anders. De fout is veroorzaakt door de geautomatiseerde verwerking, niet door een onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of het recht. Dat de betrokken medewerkers het probleem onderkenden maar niet handmatig konden ingrijpen, maakt dit niet anders. De fout was bovendien kenbaar voor de bv: zij ontving € 3,5 miljoen dubbel.

Systeemrisico's niet voor rekening samenleving

De rechtbank verwijst naar de parlementaire geschiedenis. Fouten als gevolg van de geautomatiseerde werkwijze behoren niet geheel voor rekening van de Belastingdienst te blijven. Het financiële gewin van een individuele belastingplichtige bij een kenbare fout mag niet worden afgewenteld op de samenleving. De navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:3214 | 10-03-2026
Kosten eHerkenning geen excuus

Kosten eHerkenning geen excuus

Een bv heeft over de jaren 2019 tot en met 2021 geen aangiften vpb gedaan. De bv stelt dat dit komt doordat aangifte alleen mogelijk is met eHerkenning. De hiervoor verschuldigde kosten kan zij niet betalen. De inspecteur legt hierop ambtshalve nihilaanslagen vpb op voor deze jaren en een verzuimboete van € 2.757 voor het jaar 2021.

Kosten eHerkenning niet onevenredig

Kosten van eHerkenning zijn niet van een zodanige omvang dat zij onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de staatssecretaris van Financiën met de invoering van eHerkenning nastreeft. Zolang de bv bestaat moet zij jaarlijks, met gebruik van eHerkenning, aangifte vpb doen. De bv heeft bovendien niets aangevoerd over geleden verliezen in de betreffende jaren. De beroepen tegen de nihilaanslagen zijn daarom ongegrond.

Verzuimboete verminderd

De bv erkent dat zij de aangiften vpb over de jaren 2019 tot en met 2021 niet (tijdig) heeft gedaan. Het opleggen van een verzuimboete voor het jaar 2021 is dan ook terecht gebeurd. De rechtbank vermindert de verzuimboete wel in verband met de financiële omstandigheden van de bv. De boete wordt daarom eerst verminderd tot € 500.

Overschrijding redelijke termijn

De boete wordt verder verminderd in verband met 'undue delay', oftewel de overschrijding van de redelijke termijn. Sinds de aankondiging van de boete zijn ruim 42 maanden verstreken. De redelijke termijn van twee jaar is daarmee met 18 maanden overschreden. De boete wordt gematigd met 15% tot € 425.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:2478 | 01-04-2026
Oude verliezen verrekenen na uitbreiding fiscale eenheid: meer ruimte dan gedacht

Oude verliezen verrekenen na uitbreiding fiscale eenheid: meer ruimte dan gedacht

Een fiscale eenheid groeit in de loop der jaren flink. Na uitbreiding met een winstgevende vennootschap wil de moedermaatschappij oude verliezen verrekenen. De Belastingdienst weigert dat. Volgens de inspecteur moet je eerst kijken naar het resultaat van de oorspronkelijke groep vennootschappen. Die groep maakt als geheel verlies, dus is er geen ruimte voor verliesverrekening. De rechter is het daar niet mee eens.

Van verlies naar winst

De moedermaatschappij vormt sinds 2015 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Die fiscale eenheid wordt in de loop der jaren meermalen uitgebreid. In 2016 komt er een andere bestaande fiscale eenheid bij. In 2017 lijdt de gecombineerde groep een fors verlies van ruim € 550 miljoen. In 2019 voegt de moedermaatschappij opnieuw vennootschappen toe aan de fiscale eenheid. Een van de vennootschappen blijkt bijzonder winstgevend. In 2020 maakt de hele fiscale eenheid een winst van € 202 miljoen. Die winst komt vrijwel volledig van de in 2019 toegevoegde vennootschap.

Oude verliezen verrekenen

De moedermaatschappij wil het verlies uit 2017 verrekenen met de winst van 2020. Dat kan alleen met winst die toerekenbaar is aan de vennootschappen die in 2017 al tot de fiscale eenheid behoorden. De moedermaatschappij maakt zelf in 2020 echter verlies. De andere vennootschappen uit 2017 maken samen wel winst. De moedermaatschappij brengt haar eigen verlies in mindering op de winst van de in 2019 gevoegde vennootschap. Zo blijft de winst van de andere vennootschappen uit 2017 beschikbaar voor verrekening met het verlies uit 2017. De inspecteur accepteert deze werkwijze niet.

Inspecteur hanteert clusterbenadering

De inspecteur past de zogenoemde clusterbenadering toe. Die benadering houdt in dat je alle vennootschappen die in 2017 tot de fiscale eenheid behoorden, als één geheel beziet. Dat cluster maakt in 2020 per saldo verlies. Er is dus geen winst beschikbaar om het verlies uit 2017 mee te verrekenen. De inspecteur baseert zich op een beleidsbesluit uit 2024. De moedermaatschappij gaat in beroep.

Rechtbank: geen dwingend voorschrift

De rechtbank volgt de inspecteur niet. Het Besluit Fiscale Eenheid schrijft de clusterbenadering niet dwingend voor. Het woord 'ook' laat ruimte voor een andere benadering. De toelichting beperkt de clusterbenadering tot de vraag of sprake is van voorvoegingsverliezen. Zij strekt zich niet uit tot de bepaling van de voor verrekening vatbare winst in het jaar van verrekening. Een voorbeeld uit de parlementaire geschiedenis ondersteunt die uitleg.

Doel horizontale verliesverrekening

Het doel van horizontale verliesverrekening is te voorkomen dat meer verlies wordt verrekend dan de winst die bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komt. De benadering van de moedermaatschappij voldoet aan die eis. Zij verrekent niet meer dan de winst van de fiscale eenheid. Van ongeoorloofde kruislingse verliesverrekening is geen sprake. Het beleidsbesluit uit 2024 dateert van na het belastingjaar 2020 en kan de inspecteur niet helpen.

Forse verlaging belastbaar bedrag

De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Het belastbaar bedrag daalt van € 197 miljoen naar € 59,5 miljoen. De verliesverrekeningsbeschikking wordt vastgesteld op € 142 miljoen in plaats van € 4,5 miljoen. De inspecteur kan nog in hoger beroep.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:3196 | 24-03-2026
Kwijtscheldingswinstvrijstelling vervalt door herinvesteringsreserve

Kwijtscheldingswinstvrijstelling vervalt door herinvesteringsreserve

Een bv verkoopt in 2018 een schip met winst en vormt een herinvesteringsreserve. In 2019 scheldt de bank een deel van de schulden kwijt. De bv claimt de kwijtscheldingswinstvrijstelling, maar de rechtbank steekt daar een stokje voor. De herinvesteringsreserve zorgt ervoor dat te veel verrekenbare verliezen resteren.

Twee schepen verkocht

Een moedermaatschappij staat aan het hoofd van een fiscale eenheid. Via een vennootschap onder firma (vof) bezit zij de helft van een vrachtschip. In 2018 wordt dat schip verkocht met een boekwinst van ruim € 724.000. Die winst doteert zij aan de herinvesteringsreserve. In 2019 wordt de vof ontbonden. De bank verleent finale kwijting voor de resterende schulden. Het kwijtgescholden deel dat de moedermaatschappij aangaat, bedraagt bijna vier ton.

Herinvestering via de fiscale eenheid

De vervangende investeringen worden niet door de moedermaatschappij zelf gedaan, maar door twee dochtervennootschappen binnen de fiscale eenheid, die in 2019 nieuwe schepen aanschaffen. De moedermaatschappij boekt de herinvesteringsreserve af op deze investeringen.

Vrijstelling geclaimd

In de aangifte 2019 past de moedermaatschappij de kwijtscheldingswinstvrijstelling toe voor het volledige bedrag van bijna vier ton. Die vrijstelling geldt voor zover de kwijtscheldingswinst de verrekenbare verliezen overstijgt. De gedachte: als er geen verliezen meer zijn om te verrekenen, hoeft de kwijtscheldingswinst niet belast te worden.

Probleem: de fiscale eenheid

Bij een fiscale eenheid gelden speciale regels. De vrijstelling geldt alleen voor zover de bv er ook recht op zou hebben gehad als zij zelfstandig was gebleven. De moedermaatschappij betoogt dat zij dan geen herinvesteringsreserve had kunnen vormen. De vervangende investeringen deden immers de dochters, niet zijzelf. Zonder die reserve zou haar winst in 2018 ruim € 830.000 zijn geweest en zouden alle eerdere verliezen zijn verrekend. In dat geval resteert geen verlies en is de vrijstelling volledig van toepassing.

Rechtbank: herinvesteringsreserve telt mee

De rechtbank volgt dit betoog niet. Bij de zelfstandige winstberekening moet de herinvesteringsreserve worden meegenomen bij de vennootschap die de boekwinst behaald heeft. Dat is nu eenmaal de moedermaatschappij. Zonder boekwinst valt niets te doteren, dus de reserve kan niet bij een andere vennootschap worden gevormd. Bovendien bestond een van de dochters in 2018 nog niet. Toerekening aan haar is dus ondenkbaar. Met de herinvesteringsreserve bedraagt de zelfstandige winst 2018 slechts € 107.000, met als gevolg dat ruim € 727.000 resteert aan verrekenbare verliezen. Die verliezen overstijgen de kwijtscheldingswinst. De vrijstelling vervalt.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:3556 | 09-02-2026
Doorlenen tegen hogere rente is winstuitdeling

Doorlenen tegen hogere rente is winstuitdeling

Een bv leent een miljoen aan haar dga tegen 2% rente. De dga leent datzelfde bedrag door aan derden tegen 7% rente. Het verschil van 5% steekt hij in eigen zak. De inspecteur ziet dit als een verkapte winstuitdeling. Het hof is het daarmee eens. Wie aan zijn eigen bv minder rente betaalt dan hij vraagt van een derde, bevoordeelt zichzelf als aandeelhouder.

Twee leningen, één geldstroom

De dga leent geld uit aan een zakenrelatie en diens bv. Dit geld leent hij van zijn eigen bv tegen een lagere rente. Het geld gaat rechtstreeks van de bv naar de zakenrelatie. De dga fungeert als doorgeefluik en houdt jaarlijks het renteverschil (van ruim € 45.000).

De inspecteur prikt erdoorheen

De inspecteur constateert dat de twee leningen nagenoeg identiek zijn. Dezelfde hoofdsom, hetzelfde moment van aangaan, dezelfde afwezigheid van zekerheden en tussentijdse aflossingsverplichtingen. Zelfs de aflossingsdata vallen samen. Het enige verschil is de rente. De inspecteur stelt dat de bv een onzakelijk lage rente heeft bedongen van haar aandeelhouder. Dat renteverschil is een verkapte winstuitdeling die tot de winst van de bv moet worden gerekend.

Vermogenspositie maakt geen verschil

De rechtbank geeft de bv nog gelijk. De vermogenspositie van de dga zou gunstiger zijn dan die van de zakenrelatie, waardoor een lagere rente gerechtvaardigd zou zijn. Het hof denkt daar anders over. De zakenrelatie bezit 42 onroerende zaken en heeft een aanzienlijke rendementsgrondslag in box 3. De dga beschikt naast zijn box 3-vermogen ook over alle aandelen in de bv, met een waarde van ruim € 3 miljoen. Beide partijen kunnen de lening van € 1 miljoen eenvoudig terugbetalen. Het verschil in vermogenspositie verklaart het renteverschil dus niet.

Bewust of onbewust? Het maakt niet uit

Het hof oordeelt dat sprake is van een opzettelijk winstgemis. Gezien het substantiële renteverschil had het voor de bv en de dga, die als enig aandeelhouder en bestuurder met elkaar te vereenzelvigen zijn, duidelijk moeten zijn dat 2% een onzakelijk lage rente was. Of zij zich bewust waren van de exacte omvang van de bevoordeling, doet er niet toe. Het verschil van ruim € 45.000 is een winstuitdeling en wordt bij de winst van de bv opgeteld. De inspecteur krijgt gelijk.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:1011 | 16-02-2026