Termijn voor indienen suppletie omzetbelasting

Termijn voor indienen suppletie omzetbelasting

De Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat belastingplichtigen verplicht zijn om de inspecteur mededeling te doen van onjuistheden of onvolledigheden in voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens en inlichtingen.

Voor de omzetbelasting is dit voorschrift uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit. Zodra een belastingplichtige constateert dat over een tijdvak in de afgelopen vijf kalenderjaren te veel of te weinig belasting is betaald, is hij gehouden alsnog bij wijze van suppletie de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken. De suppletie moet gedaan worden voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur van de onjuistheid of onvolledigheid op de hoogte is. Het niet nakomen van de suppletieverplichting is een overtreding, waarvoor in geval van opzet of grove schuld een vergrijpboete kan worden opgelegd.

Tot en met 2024 gold dat dit zo spoedig mogelijk moest gebeuren. Per 1 januari 2025 is aan deze bepaling toegevoegd dat de suppletie binnen acht weken nadat de belastingplichtige de onjuistheid of onvolledigheid heeft geconstateerd moet worden ingediend. Reden voor toevoeging van de achtwekentermijn is de uitspraak van de rechtbank die het onmogelijk zou maken om een vergrijpboete op te leggen, uitsluitend vanwege het niet “zo spoedig mogelijk” suppleren. Volgens de rechtbank is de suppletie tijdig ingediend als dit is gebeurd voor het moment waarop de belastingplichtige weet, of redelijkerwijs moet vermoeden, dat de inspecteur met de desbetreffende onjuistheid of onvolledigheid bekend is of zal worden. Deze aan de inkeerregeling ontleende termijn blijft bestaan. De ondernemer moet suppleren voordat de eerste van de twee termijnen is verstreken. De termijn van acht weken vangt niet eerder aan dan op 1 januari 2025. Ondernemers die voor die datum hebben geconstateerd dat zij moeten suppleren, maar dat nog niet hebben gedaan, hebben nog tot 26 februari 2025 om de suppletie alsnog te doen. 

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | Staatsblad 2024, 441 | 17-12-2024
Verlaagde btw-tarief van toepassing bij sporten op het strand

Verlaagde btw-tarief van toepassing bij sporten op het strand

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat buitensportactiviteiten op en rond het strand onder het verlaagd btw-tarief kunnen vallen. Voorwaarde is wel dat er gebruik kan worden gemaakt van een accommodatie met het oog op de voorbereiding voor het beoefenen van de sport en/of de afronding daarvan.

In een drietal zaken waarover de Hoge Raad heeft geoordeeld, vonden de sportactiviteiten plaats op een door de gemeente voor het beoefenen van strandsporten aangewezen openbaar stuk strand. Voor het blokarten, powerkiten, beachvolleybal, beachvoetbal en handboogschieten kunnen de sporters gebruikmaken van een nabijgelegen strandpaviljoen. Hier hebben zij de beschikking over een ontvangstruimte, een opslagruimte en een kleedruimte met douchegelegenheid. Voor de surflessen wordt een voor het omkleden en douchen ingerichte vrachtcontainer op het strand geplaatst, die bij slecht weer ook gebruikt kan worden voor instructies. 

De Hoge Raad concludeert dat met de beschikking over het strandpaviljoen en de container aan de voorwaarde is voldaan dat er een accommodatie beschikbaar is voor instructie en omkleden. Het maakt daarbij niet uit dat het sporten plaatsvindt op openbaar terrein.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20258 | 16-01-2025
Opschorting overgangsrecht btw-verhoging cultuur

Opschorting overgangsrecht btw-verhoging cultuur

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer meegedeeld, dat hij het overgangsrecht bij de btw-verhoging op cultuur wil opschorten door middel van een beleidsbesluit. Hiermee is het in het Belastingplan 2025 opgenomen overgangsrecht niet meer van toepassing op vooruitbetalingen en tickets voor culturele activiteiten die vanaf 2026 of later plaatsvinden. Het beleidsbesluit geldt voor de periode van 1 januari 2025 tot 1 juli 2025. Het overgangsrecht blijft wel onderdeel van het Belastingplan 2025. De staatssecretaris verwacht hiermee voldoende tijd te hebben om in overleg met de Tweede Kamer tot een alternatief dekkingsvoorstel te komen.

Het opschorten van het overgangsrecht gaat gepaard met een incidentele budgettaire derving van € 135 miljoen. Deze wordt gedekt door de tarieven van de eerste en tweede schijf in de inkomstenbelasting voor één jaar met 0,03%-punt te verhogen in het jaar 2026.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2024-0000566936 | 12-12-2024
Recht op aftrek voorbelasting bij kosteloze terbeschikkingstelling

Recht op aftrek voorbelasting bij kosteloze terbeschikkingstelling

De btw-richtlijn geeft ondernemers het recht op aftrek van omzetbelasting die door andere ondernemers aan hen in rekening is gebracht. Het recht op aftrek is gekoppeld aan de mate waarin de van andere ondernemers afgenomen goederen en diensten worden gebruikt voor belaste prestaties van de afnemer.

Het Hof van Justitie EU heeft onlangs de vraag beantwoord of het recht op aftrek van voorbelasting mag worden geweigerd aan een ondernemer, die een machine heeft aangekocht, die hij vervolgens kosteloos ter beschikking stelt aan een onderaannemer. De onderaannemer gebruikte de machine om werkzaamheden voor de terbeschikkingsteller van de machine te verrichten. Volgens het Hof van Justitie EU mag het recht op aftrek van voorbelasting niet worden geweigerd voor zover de terbeschikkingstelling niet verder gaat dan hetgeen noodzakelijk is om de ondernemer in staat te stellen in een later stadium zijn economische activiteit uit te oefenen. De kosten van de aankoop moeten wel zijn verwerkt in de prijs van de door de ondernemer geleverde goederen of verrichte diensten.

Bron: Hof van Justitie EU | jurisprudentie | ECLIEUC2024866, C 475/23 | 03-10-2024
Verlaagd btw-tarief van toepassing op gratis servicebeurt?

Verlaagd btw-tarief van toepassing op gratis servicebeurt?

Een fabrikant van e-bikes biedt bij de verkoop van een fiets de eerste servicebeurt gratis aan. De fabrikant stelt dat een deel van de verkoopprijs moet worden aangemerkt als een vooruitbetaling voor deze servicebeurt, waarvoor het verlaagde btw-tarief zou gelden. Met deze redenering wil de fabrikant de btw op de verkoop van de e-bike verlagen en terugvragen. Hoe oordeelt de rechtbank hierover?

De feiten

De fabrikant verkoopt zijn fietsen voornamelijk aan particulieren. Bij de aankoop van een e-bike werd een eerste servicebeurt gratis aangeboden, mits deze binnen drie maanden na levering en bij minder dan 500 afgelegde kilometers wordt uitgevoerd. Op de verkoopfacturen wordt een bedrag van € 67,50 voor deze servicebeurt vermeld, dat vervolgens weer in mindering wordt gebracht. De klant betaalt uiteindelijk dus niets voor de servicebeurt. Over dat bedrag is het lage btw-tarief in rekening gebracht. 

Standpunten van partijen

De fabrikant voert aan dat het verlaagde btw-tarief van toepassing is op de servicebeurt, ook al wordt deze als gratis aangeboden. De prijs van de servicebeurt is inbegrepen in de totale verkoopprijs van de e-bike. De fabrikant maakt een vergelijking met kortingen, die supermarkten aanbieden, zoals "1+1 gratis". Ondanks de korting is feitelijk sprake van een vergoeding voor de servicebeurt, die onder het verlaagde btw-tarief zou moeten vallen.

De Belastingdienst stelt dat de eerste servicebeurt een bijkomende prestatie is bij de levering van de fiets, waarvoor geen vergoeding is bedongen. Omdat er geen tegenprestatie is of wordt ontvangen, kan het verlaagde btw-tarief volgens de inspecteur niet van toepassing zijn. 

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank concludeert dat de fabrikant de servicebeurt gratis aanbiedt. Dit blijkt duidelijk uit de verkoopfacturen, waarop weliswaar een bedrag voor de servicebeurt staat vermeld, maar dat bedrag wordt onmiddellijk in mindering gebracht. Per saldo wordt dus geen vergoeding gevraagd voor de servicebeurt. Omzetbelasting is alleen van toepassing wanneer een tegenprestatie wordt ontvangen voor een geleverde dienst. Omdat geen vergoeding voor de servicebeurt wordt bedongen, is het verlaagde btw-tarief niet van toepassing. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd. Het beroep van de fabrikant is ongegrond verklaard.

Conclusie

Voor ondernemers, die extra diensten aanbieden bij de verkoop van producten of het verrichten van diensten, is het belangrijk om helder te hebben of een vergoeding wordt gevraagd voor die diensten. Zonder een duidelijke tegenprestatie is geen sprake van omzetbelasting over die dienst. Wordt wel een tegenprestatie bedongen, dan is mogelijk een ander tarief van toepassing op de extra dienst. In dat geval is het van belang om vast te stellen of het gaat om een bijkomende prestatie, die opgaat in de hoofdprestatie, of om een te onderscheiden extra dienst. Onduidelijkheid hierover kan tot naheffingen leiden. Heeft u vragen over de fiscale behandeling van diensten die u aanbiedt? Neem dan gerust contact op voor advies op maat.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLINLRBGEL20244521, ARN 22/1598 | 15-07-2024
Vervallen laag tarief omzetbelasting per 1 januari 2025 voor agrarische leveringen

Vervallen laag tarief omzetbelasting per 1 januari 2025 voor agrarische leveringen

Toepassing van het lage tarief van de omzetbelasting voor agrarische goederen is door het afschaffen van de landbouwregeling achterhaald. Sindsdien levert omzetbelasting op de inkoop voor agrariërs geen financieel nadeel meer op. In het Belastingplan 2024 is opgenomen dat per 1 januari 2025 het lage tarief van de omzetbelasting voor de levering van bepaalde agrarische goederen vervalt. Het betreft de levering van:

  • peulvruchten en granen, die niet als voedingsmiddel kwalificeren, pootgoed, vee, beetwortelen, land- en tuinbouwzaden, rondhout, stro, veevoeders, vlas en wol;
  • dieren, die bestemd zijn voor de voortbrenging of productie van landbouw; en
  • goederen, die bestemd zijn voor de voorplanting van landbouwdieren.

De toepassing van het lage tarief is een van de in het ambtelijke rapport Aanpak fiscale regelingen opgenomen negatief geëvalueerde regelingen.

Bron: Ministerie van Financiën | wetswijziging | Artikel XVI Belastingplan 2024 | 07-10-2024